partij
sp.a Nationaal
Grasmarkt 105/37
1000 Brussel [plan]
Als u op zoek bent naar de contactgegevens van de provinciale secretariaten, klik dan hieronder op 'meer'.
meervan sociale beweging tot sp.a
Het begin (1840-1875)
De geschiedenis van sp.a is, net zoals die van vele andere sociaaldemocratische partijen, geworteld in de sociaal-economische strubbelingen van de 19de eeuw. De Industriële Revolutie had gezorgd voor een vlucht van het platteland naar de steden. Mensen waren op zoek naar werk, op zoek naar een beter leven. Werk werd wel gevonden, een beter leven niet. Zeven dagen per week in de fabriek, dertien uur per dag, soms langer. Geen vakantie. Kinderarbeid. Onzekerheid over loon. Teveel mensen in te kleine beluiken. Koude. Honger. Het ultraliberalisme vierde hoogtij.
Het duurde niet lang voor de arbeiders in opstand kwamen tegen deze wantoestanden. In België was er al in 1839 sprake van oproer: de Gentse katoenspinners lieten van zich horen. Van veel meer dan sporadisch protest was echter geen sprake.
Daar komt in 1863 verandering in. Franse en Britse werknemers zoeken naar samenwerking, het prille begin van de Eerste Internationale is een feit. Een groot succes wordt het Internationaal Werkliedenverbond niet, maar de kiem voor het opkomende socialisme is wel gelegd. Ook in België sluit een grote groep arbeiders er zich bij aan. Vooral in de regio’s met de meeste industrie, zoals Henegouwen en Luik, staat deze nieuwe groepering sterk.
Het revolutionaire vuur dooft vrij snel, maar blijft op sommige plaatsen toch smeulen. In Gent bijvoorbeeld blijft de jonge letterzetter Edward Anseele krantjes drukken die oproepen tot actie. Anseele kijkt ook naar Duitsland, waar in 1875 de Sozialistische Arbeiterpartei Deutschlands (SADP) wordt opgericht. Dat is de richting die Anseele en zijn Gentse gezellen uitwillen: geen revolutie, maar een politieke partij die in staat is om de samenleving grondig te hervormen.
Van beweging naar partij (1875-1885)
In 1877 werd de Vlaamsche Socialistische Arbeiderspartij opgericht in Mechelen. De partij bestond uit de Gentse coöperatieve Vooruit en enkele overgebleven groepen van de Eerste Internationale. Maar ook in Brussel was het socialistische vuur opnieuw opgelaaid. Daar had César De Paepe met een groep medestanders de Parti Socialiste Brabançon gesticht. Anseele en De Paepe vonden elkaar al snel, en in 1879 zag de Belgische Socialistische Arbeiderspartij in Mechelen het levenslicht.
Er was nu wel een socialistische politieke partij, maar nog geen kiezers. Enkel vermogende mannen hadden namelijk het recht om hun stem uit te brengen. De strijd om de uitbreiding van het stemrecht kon losbarsten. Bij de gemeente- en provincieraadsverkiezingen van 1884 werd een eerste succesje geboekt: ook mannen met een diploma lager secundair onderwijs mogen deelnemen aan de stemming. Dit levert de socialisten hun eerste lokale zetels op.
Opmerkelijk was dat deze eerste zetels binnengehaald werden in Wallonië, waar op dat ogenblik nog geen socialistische partij actief was. Wel waren er sterke vakbonden: zij hadden her en der een lijst ingediend. Op die manier was een vrij absurde situatie ontstaan: in Vlaanderen was er wel een partij, maar geen mandatarissen, in Wallonië geen partij maar wel mandatarissen. Uit deze vreemde spreidstand ontstond in 1885 de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Een partij, niet enkel voor socialisten, maar voor alle werklieden, voor alle onderdrukten. De eerste échte voorloper van sp.a.
Strijd voor gelijke rechten... (1886-1894)
De BWP stelt zichzelf een aantal belangrijke politieke doelen. Een verbod op kinderarbeid, een verlaging van de arbeidsduur, verplicht lager onderwijs en misschien wel het belangrijkste: zuiver, algemeen stemrecht. Over de manier waarop deze veranderingen verwezenlijkt konden worden, liepen binnen de partij de meningen nogal uiteen. Langs Waalse zijde, waar het sterke vakbondsverleden meespeelde, was men eerder geneigd over te gaan tot staken en zelfs tot het gebruik van geweld. De meer gematigde vleugel van de partij richtte zich op politieke actie, via het parlement.
In 1892 werd een verklaring tot grondswetherziening goedgekeurd, met als doel de invoering van het algemeen stemrecht. Toen de katholieke meerderheid deze afblokte in 1893, gaf de BWP het sein voor een algemene staking. Deze was zeer succesvol, maar is toch een bijzonder donkere bladzijde uit de Belgische politieke geschiedenis. De katholieke regering zette zowel rijkswacht als gewapende burgerwacht in om de staking te breken. Op 14 april 1893 viel, in Jolimont, de eerste dode. Op 17 april vielen zeven doden in Bergen. Op 18 april werd het vuur geopend op betogers in Antwerpen. Vijf mensen laten er het leven. Dertien doden, maar de regering gaat overstag. Het cijnskiesrecht werd vervangen door het algemeen, meervoudig stemrecht.
Een eerste stap, maar lang nog niet voldoende. Want hoe rijker de man, hoe meer stemmen hij mag uitbrengen. Dit zorgt ervoor dat de politieke macht bij een (rijke) minderheid van de bevolking blijft.
Ook al was er nog geen sprake van gelijke vertegenwoordiging, iedere man had op zijn minst één stem. In 1894 kan de BWP zich opmaken voor haar eerste nationale kiescampagne. De Brusselse advocaat Emile Vandervelde neemt de taak op zich om de BWP een inhoudelijk fundament te bieden. Met het ideologisch manifest waarmee Vandervelde voor de dag komt, wil hij een alternatief bieden voor het wilde kapitalisme dat hoogtij viert in de nadagen van de Industriële Revolutie: het Charter van Quaregnon.
... en een beter leven (1895-1913)
De eerste stappen naar politieke vertegenwoordiging van arbeiders waren gezet, maar het dagelijkse leven was voor velen nog steeds niet makkelijk. De Gentse socialisten hadden met hun coöperatieve bakkerij en volkshuis Vooruit getoond hoe actie van onderuit voor arbeiders een reëel verschil kon maken. In de grote steden in Vlaanderen werd dit voorbeeld al snel gevolgd. Over het hele land richten arbeiders coöperatieve bedrijven op: bakkerijen, apotheken, kledingszaken.... Er kwamen zelfs eigen, ‘rode’ textielfabrieken. Sluitstuk was de oprichting van de Bank van de Arbeid, in 1913. Al deze handelszaken, voor en door arbeiders, zorgden ervoor dat de gewone man levensmiddelen en diensten kon kopen aan betaalbare prijzen. Bijkomend gevolg was dat de politieke vleugel van de beweging de nodige financiële slagkracht kreeg.
Met vernieuwde moed, een brede basis en de nodige middelen, plaatste de BWP in 1913 een oude kwestie opnieuw op de politieke agenda: het enkelvoudig, algemeen stemrecht. Maar dit zou nog even op zich laten wachten. Donkere wolken vormden zich aan de horizon: het was de vooravond van Wereldoorlog I.
Nieuwe mogelijkheden in een veranderde wereld (1914-1919)
De Eerste Wereldoorlog zorgde voor een nationalistische reflex in Europa. Politieke meningsverschillen werden even vergeten. In België kwam er een regering van Nationale Unie, waar ook de BWP deel van uitmaakte. Het Nationaal Hulp- en Voedingscomité, door deze regering opgericht om de noodlijdende bevolking te helpen, maakte ook gebruik van het socialistische netwerk van verenigingen, vakbonden en coöperaties om deze hulp te verstrekken. Hierdoor kreeg de socialistische beweging op veel plaatsen voet aan de grond. De bestaande organisaties werden uit hun arbeidersisolement gehaald. De chaos, het leed en vernieling van de Eerste Wereldoorlog zorgden ervoor dat de socialisten voortaan een volwaardige politieke en maatschappelijke speler werden.
Wat voor de oorlog niet was gelukt, lukte nu wel. In 1919 werd het algemeen stemrecht voor mannen ingevoerd. Hoewel een overwinning, toch een smet op het socialistische blazoen. Een grote groep onderdrukten bleven namelijk in de kou staan: vrouwen. Het zou nog twintig jaar duren voor dit onrecht wordt rechtgezet en ook de vrouwelijke helft van de bevolking politieke inspraak krijgt.
Toch maakt de BWP bij de verkiezingen van 1919 een grote stap voorwaarts. In Wallonië de grootste partij, in Vlaanderen de tweede grootste: socialisten kunnen eindelijk wegen op het beleid. En dat doen ze ook. In de jaren na de oorlog haalt de BWP heel wat van haar oude programmapunten binnen. De achturen werkdag, een verzekering tegen werkloosheid, een wettelijk pensioen en progressieve belastingen zijn een feit.
Op zoek naar een nieuwe strategie (1920-1939)
De euforie van de jaren na de oorlog duurde echter niet lang. Door de beurscrash van 1929 en de economische crisis stortte de socialistische structuur gedeeltelijk in. De coöperatieven en rode fabrieken kregen het moeilijk. De Bank van de Arbeid moest in 1934 haar deuren sluiten. Ook op politiek vlak was de socialistische ster tanend. Er was nood aan een nieuwe strategie, een nieuw strijdplan. De socialistische oplossingen uit de 19de eeuw volstonden niet langer.
Het voorbeeld werd opnieuw gegeven in Duitsland. Daar had de vakbeweging in 1932 een gedurfd anticrisisplan naar voren geschoven. In plaats van te besparen en de lonen te verlagen, moest de overheid investeren om de crisis te bestrijden. Dit zou leiden tot nieuwe werkgelegenheid, stijgende koopkracht en een aantrekkende economie. Dit was een nieuwe vorm van socialisme: een sterke overheid die controle uitoefent over de economie en die de opbrengsten ervan rechtvaardig verdeelt.
Het was Hendrik de Man die deze nieuwe ideëen in een partijprogramma voor de BWP omzette. Het congres van de BWP keurde in 1933 het Plan van de Arbeid goed. Dit betekende ook een verbreding van het doelpubliek van de partij, omdat het Plan door alle maatschappelijke geledingen moest gedragen worden. De BWP was niet langer een partij enkel voor arbeiders, het werd een partij die streefde naar welvaart en geluk voor iedereen. Deze verbreding was niet naar de zin van de oude socialisten, die nog steeds vasthielden aan de arbeidersstrijd. Er tekende zich een breuk af en Hendrik de Man slaagde erin de macht binnen de partij naar zich toe te trekken. Hij trad in 1935 toe tot de katholieke regering Van Zeeland, tegen de zin van de oude getrouwen binnen de partij. Van het Plan van de Arbeid kwam echter niet veel in huis.
Een nieuwe wereldbrand, een nieuwe partij (1940-1945)
De crisis van de jaren ’30 vormde de ideale voedingsbodem voor de opmars van het nazisme en fascisme in Europa. Wereldoorlog II begint in 1939 met de Duitse inval in Polen, in mei 1940 werd België aangevallen. Hendrik de Man ontbindt vrijwel meteen de BWP en roept op om de Duitse overwinning te aanvaarden. De Man ziet in de Duitse overheersing een bevrijding voor het socialisme en roept op om geen verzet te bieden. Een vergissing die hem na de oorlog een veroordeling voor collaboratie zal opleveren.
De BWP houdt bij het begin van de oorlog op te bestaan, en haar leden blijven achter in opperste verwarring. Sommigen volgden de Man, anderen keerden hem de rug toe, duiken onder en worden actief in het verzet. Een deel van de socialistische leiders had bij het uitbreken van de oorlog het land verlaten. In het najaar van 1941 wordt door hen de Belgische Socialistische Partij opgericht, de opvolger van de BWP.
Figuren als Achiel Van Acker liggen aan de basis van deze nieuwe partij. Van Acker beseft dat maatschappelijke verandering er enkel kan komen via overleg, door samenwerking met gelijkgestemden en andersgezinden, zowel binnen als buiten de politiek. Al tijdens de oorlog wordt een Sociaal Pact gesloten: de basis voor een omvattend stelsel van sociale zekerheid. Dit betekende echter dat de socialisten ideologische toegevingen moesten doen. De oude strijd tegen het kapitalisme werd afgezwakt, er werd gezocht naar toenadering tussen arbeiders en werkgevers.
Het stichtingscongres van de BSP bevestigd in 1945 de ideologische beginselverklaring van Quaregnong. Daarmee zet de BSP de socialistische traditie voort, maar de doelen en middelen zijn niet meer dezelfde als bij de oprichting van de BWP in 1885. De Belgische socialisten waren niet langer een arbeiderspartij, maar een volkspartij.
Breuklijnen tekenen zich af (1946-1959)
Het einde van de oorlog plaatst België voor een aantal onopgeloste problemen. Een eerste fout uit het verleden wordt haast meteen rechtgezet. In 1949 krijgen vrouwen politieke inspraak. Ongeveer zeventig jaar na het oprichten van de eerste socialistische partij is het belangrijkste strijdpunt eindelijk verworven: algemeen, enkelvoudig stemrecht. Geen enkele burger staat nu nog langs de zijlijn van het politieke spel. Elke mens, één stem.
De BSP is nu een échte politieke partij. Voor de oorlog was de BWP een optelsom van vakbonden, coöperaties, mutualiteiten en talrijke nevenorganisaties. Na de oorlog gingen deze instellingen steeds meer zelfstandig opereren. Hierdoor komt er wat meer afstand tussen de politieke vleugel en de socialistische massabeweging.
Hoewel de verkiezingen net na de oorlog erg voordelig waren voor de linkerzijde, is er absoluut geen sprake van stabiliteit in het land. Zeven regeringen in minder dan vijf jaar tijd, de heropstart van de economie en de Koningskwestie zorgen voor de eerste breuklijnen tussen Vlamingen en Walen, tussen katholieken en vrijzinnigen, tussen stad en platteland.
Bij de verkiezigen van 1954 winnen de socialisten opnieuw overtuigend. Achiel Van Acker wordt de eerste socialistische premier van België. Opnieuw krijgt de BSP te maken met de oude vete tussen katholieken en vrijzinnigen. De schoolstrijd, waarin de socialistische minister van Onderwijs Leo Collard het opneemt tegen de katholieke gemeenschap, breekt de socialisten zuur op. In 1958 verliezen ze de verkiezingen.
Twee jaar later, in 1960, wordt de BSP geconfronteerd met een moeilijke spreidstand. De zware industrie, die vooral in Wallonië voor werk en welvaart zorgt, is op de terugweg en heeft subsidies nodig om te overleven. De katholieke regering Eyskens wil deze overheidssteun stopzetten. Dit valt bijzonder slecht bij de socialisten, vooral ten zuiden van de taalgrens. Waar Vlaanderen op dat ogenblik in sneltreinvaart industrialiseert, dreigt Wallonië opeens achterop te hinken. Dat een katholieke Vlaming deze maatregel wil doorduwen, is voor de Waalse socialisten van het goede teveel. Er barst een nieuwe algemene staking los, de staking tegen de Eenheidswet. De BSP krijgt het intern moeilijk: de Waalse zijde profileert haar regionale identiteit, de Vlaamse zijde kan zich enkel loyaal verklaren met haar Waalse kameraden.
De gouden jaren '60 (1960-1969)
Begin jaren ’60 zwelt de economie sterk aan. Het nieuwe socialistische model, waarvoor Hendrik de Man de basis had gelegd en dat de leidraad was voor het Sociaal Pact van Van Acker, draait nu op volle toeren. Welvaart en geluk zijn niet langer vage toekomstbeelden, ze zijn nu voor haast iedereen realiteit.
Hierdoor komen andere problemen in het socialistisch vizier. Vrouwenrechten, het milieu, ontwikkelingssamenwerking, ontwapening: stuk voor stuk belangrijke doelen waar nog voor moet gevochten worden. Toch duurt het bijna tien jaar tot ook de partijleiding inziet dat er een nieuw programma nodig is. De socialistische beweging, verankerd in de eigen zuil, leeft nog erg afgesloten van de buitenwereld. Leo Collard probeert in 1969 een progressief front op te richten, dat ook oog heeft voor de nieuwe maatschappelijke vraagstukken. Het blijft echter bij een symbolische oproep. De verbreding van de partij loopt stuk op oude instellingen, overtuigingen en gewoontes.
En ook het communautaire spook blijft in de partij ronddwalen. Binnen de partij worden de regionale grenzen alsmaar duidelijker. In 1967 organiseert de BSP zelfs twee congressen, één voor de Vlaamse en één voor de Waalse federatie. Wanneer bij de verkiezingen van 1968 geen Vlamingen op de socialistische lijst in Brussel-Halle-Vilvoorde staan, dienen ze onder de naam ‘Rode Leeuwen’ zelf een lijst in en halen twee kamerzetels.
De SP staat op (1980-1991)
De splitsing was uiteindelijk niets meer dan een bekrachtiging van de realiteit. De Vlaamse BSP kwam onder deze naam nog wel op bij de verkiezingen van 1978, maar onder het voorzitterschap van Karel Van Miert veranderde de naam in 1980 naar Socialistische Partij of SP. Deze SP moet op zoek naar een nieuwe identiteit. In navolging van de oproep van Collard tien jaar eerder, pleit Van Miert voor een ‘open’ partij. Er worden thema’s aangesneden die de BSP niet wou of kon aansnijden: een beter milieu, vrouwenemancipatie, hulp aan de derde wereld.
De generatie van de ‘Jonge Turken’, Karel Van Miert, Louis Tobback, Norbert De Batselier, Luc Van den Bossche, Marcel Colla, Freddy Willockx en Louis Vanvelthoven, zorgt voor een heropstanding van het Vlaamse socialisme. De strijd tegen de plaatsing van Amerikaanse kernwapens en tegen de besparingspolitiek van de kabinetten Martens legt de SP geen windeieren.
Er wordt nu ook verder gekeken dan de Belgische grenzen. De wens van een groot, sociaal Europa wint terrein. Toch woedt de zoektocht naar ‘wat socialisme is’ onverminderd voort. De oude socialistische zuil blijft verder afbrokkelen. De grote coöperaties van weleer zijn nog amper levensvatbaar en vervreemden steeds meer van de socialistische beweging. De socialistische dagbladen Vooruit en Volksgazet gaan over de kop, hun opvolger De Morgen slaagt er niet het ontstane gat op te vullen. Gevolg van dit alles is dat de traditionele basis van de vroegere BSP steeds meer vervreemd raakt van de partij. Nieuwe socialisten, zonder stamboom, komen wel langs de grote deur binnen, maar de oude partijrotten verdwijnen meer en meer langs de achterdeur.
Bij die nieuwe socialisten waren ook, eindelijk, vrouwen. Mede door hen kwam er binnen de SP nog meer aandacht voor milieu en mensenrechten. Toch brachten deze nieuwe thema’s ook problemen met zich mee. Zo kreeg Norbert de Batselier het hard te verduren toen zijn strijd tegen milieuvervuiling als minister van Economie tot banenverlies leidde. De vraag aan welke kant de socialisten eigenlijk stonden stak in volkswijken meer en meer de kop op. Ook de toename van de etnische diversiteit en de samenlevingsproblemen die hiermee samengaan, dreven steeds meer kiezers weg van de SP. Op 24 november 1991 werd de rekening gepresenteerd. De SP zakt onder de twintig procent en de doorbraak van het Vlaams Blok, op ‘Zwarte Zondag’, was een klap in het gezicht van de Vlaamse socialisten.
Moeilijke jaren '90 (1992-1999)
Nadat Karel Van Miert in 1988 de overstap naar de Europese politiek maakt, komt de jonge Frank Vandenbroucke aan het hoofd van de SP. Hij, en na hem Louis Tobback, zet de vernieuwing en verruiming van de partij verder. De lokale afdelingen krijgen meer inspraak. Er wordt gezocht naar een antwoord op de opmars van extreem-rechts en de partijtop probeert de ondermijnde positie van de SP in de steden te versterken.
Ook inhoudelijk gaat de evolutie verder. De werking van de moderne politieke democratie, de rol van de overheid en sociaal-ecologische modernisering komen op de agenda. Er wordt ook steeds meer nadruk gelegd op ecologische en milieuthema’s. Het behoud van het milieu betekent voor de SP een vorm van sociale rechtvaardigheid.
Kort nadat Louis Tobback de fakkel overneemt van Frank Vandenbroucke, barst in 1995 het Agusta-schandaal los. Een opdoffer voor de SP: enkele van haar kopstukken zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken. Toch slaagt de partij er in bij de verkiezingen van 1995 stand te houden, mede dankzij een sterke campagne, waarbij enkel voorzitter Louis Tobback op de voorgrond wordt geschoven. Na deze verkiezingen blijft de SP de nadruk leggen op sociale zekerheid, pensioenen en werk, thema’s die de partij als geen ander kan opeisen.
De legislatuur tussen 1995 en 1999 was zeker niet de gelukkigste in de geschiedenis van de SP. De Agusta-affaire mondde uit in een veroordeling van verschillende SP-kopstukken waaronder gewezen NAVO-secretaris-generaal Willy Claes. De ontsnapping van Marc Dutroux dwong minister van Binnenlandse Zaken Johan Vande Lanotte tot ontslag. Zijn opvolger Louis Tobback maakte vervolgens plaats voor Luc Van den Bossche na het overlijden van de Nigeriaanse vluchtelinge Semira Adamu tijdens haar repatriëring.
Na moelijke verkiezingen in 1999 stapt de SP opnieuw in de federale en Vlaamse, paars-groene regering, de eerste in veertig jaar waar geen christen-democraten deel van uitmaken. Met een sterke ploeg slaagt de SP erin om een groot deel van haar programma waar te maken.
Sterft gij oude vormen en gedachten (1999-2000)
In oktober 1999 wordt Patrick Janssens partijvoorzitter. Hij zet meteen een radicale vernieuwing in. Met een kritische nota ‘De nieuwe SP, een strategie voor partijvernieuwing' wordt in november 2000 werk gemaakt van de nieuwe missie en werking van de partij.
Rode draad doorheen de vernieuwingsbeweging is de realisatie van een samenleving waarin iedereen gelijke kansen heeft om zich te ontplooien. Maar iedereen in die samenleving heeft ook de verantwoordelijkheid om die kansen te benutten.
Om dit te kunnen realiseren wil sp.a een partijwerking uitbouwen die voortdurend in dialoog is met de samenleving. Enkel zo kan de partij de kennis en de ervaring verwerven om haar missie te vertalen in toekomstgerichte beleidsvoorstellen. Idealen en ideeën moeten omgezet worden in politiek handelen. Politiek is dan ook mensenwerk. Daarom wil sp.a voortdurend investeren in ideeën én in mensen.
De naamsverandering was een belangrijk moment in de partijvernieuwing. Bij het proces van de naamsverandering werden de sterke punten uit het verleden gekoppeld aan het vernieuwingsproces. sp.a staat voor 'SP Anders'. Niets meer, maar ook niets minder. Het is een naam met een duidelijke verwijzing naar de SP. De nieuwe naam legt de band met onze geschiedenis, want onze doelstellingen blijven ongewijzigd. Maar hij maakt duidelijk dat we ons gedrag willen veranderen. sp.a wil vanaf dan een open linkse partij zijn, waar iedereen welkom is die onze doelstellingen onderschrijft. De nieuwe naam drukt onze vastberadenheid uit om een sociaal progressief alternatief te worden.
Een nieuw begin (2001-2007)
Patrick Janssens zet de vernieuwing van de partij voort met ‘Het Groot Onderhoud’. Via werkgroepen en debatten gaat sp.a op zoek naar verfrissende ideeën, bij leden, mandatarissen en sympathisanten, zowel binnen als buiten de partij. Deze ideeën zullen uiteindelijk aan de basis liggen van het kiesprogramma voor de federale verkiezingen van 2003.
Het openbreken van de partij resulteert ook in het kartel met spirit. sp.a-spirit wil een sterke, linkse alliantie van gelijkgestemde mensen vormen, die de versnippering aan de sociaal-progressieve zijde tegengaat.
Wanneer Patrick Janssens in 2003 Leona Detiège opvolgt als burgemeester van Antwerpen, wordt Steve Stevaert de nieuwe voorzitter van sp.a. Hij leidt de partij naar succesvolle federale verkiezingen in 2003 en Vlaamse en Europese verkiezingen van 2004. Zowel in de federale als de Vlaamse regering zijn de socialisten opnieuw vertegenwoordigd.
In 2005 wordt Steve Stevaert gouverneur van Limburg, en is er opnieuw nood aan een nieuwe voorzitter. Vanaf mei 2005 neemt Caroline Gennez als ondervoorzitter deze functie waar. Bij de voorzittersverkiezingen in oktober 2005 kiezen de leden voor Johan Vande Lanotte als voorzitter en Caroline Gennez als ondervoorzitter.
In 2006 scoort sp.a bij de lokale verkiezingen goed, vooral in de steden. Het meest opmerkelijke resultaat komt zonder twijfel uit Antwerpen, waar burgemeester Janssens met zijn ploeg de grootste partij van ’t Stad worden met ruim 35 procent van de stemmen.
De federale verkiezingen in 2007 daarentegen betekenen een harde klap voor sp.a. De partij wordt niet beloond voor het beleid van de tweede paarse regering en verliest fors. Er gaan negen zetels verloren in het federale parlement en een deel van het personeel komt op straat te staan. Johan Vande Lanotte neemt zijn verantwoordelijkheid als voorzitter en trekt zich terug. In het federale parlement gaat sp.a in de oppositie.
Naar een netwerkpartij
Bij de daaropvolgende voorzittersverkiezingen worden Caroline Gennez en Dirk Van der Maelen verkozen als voorzitter en ondervoorzitter. Samen willen ze de partij omvormen tot een warme, sociale en open partij, die midden in de samenleving staat. Met antwoorden op dagelijkse vragen en problemen, en een sterke toekomstvisie. Een project van de samenleving, voor de samenleving.
Eind 2008 komt het kartel met spirit, ondertussen bekend als VlaamsProgressieven, ten eind. Enkele VlaamsProgressieven, waaronder Bert Anciaux, stappen over en de baseline van de partij wijzigt naar ‘Socialisten en Progressieven Anders’.
Bij de regionale verkiezingen in 2009 wordt sp.a de tweede grootste partij van Vlaanderen. Samen met CD&V en NV-A vormt sp.a de huidige Vlaamse regering, waarvoor ze drie ministers levert.
Bij de vervroegde federale verkiezingen in 2010 kent sp.a een licht verlies: één zetel gaat verloren. Momenteel is sp.a betrokken bij de lopende regeringsonderhandelingen.
Op 27 juni 2011 kondigt Caroline Gennez aan geen kandidaat te zijn om zichzelf op te volgen als voorzitter van sp.a bij de vierjaarlijkse voorzittersverkiezingen in het najaar. Midden september 2011 verkozen de sp.a-leden Bruno Tobback als hun nieuwe voorzitter.



actieplatformmijn sp.a
