1 op 4 inspecties voor lichamelijke opvoeding levert in het lager onderwijs een ongunstig advies op. In het kleuteronderwijs is dit “slechts” 1 op 8. Dat blijkt uit cijfers die minister Crevits vrijgaf op vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Steve Vandenberghe (sp.a). “Dat bewijst eens te meer dat er meer aandacht moet gaan naar professionele ondersteuning van LO in het lager onderwijs. ”, zegt Steve Vandenberghe. 

Niet in alle scholen wordt een afzonderlijke leerkracht lichamelijke opvoeding aangesteld. In twaalf procent van de scholen laat men die taak over aan de gewone juf of meester. In het lager onderwijs is het, in tegenstelling tot het kleuteronderwijs,  niet verplicht om een aparte (bewegings)leerkracht te voorzien. Als gevolg hiervan is het moeilijker om een bepaalde leerlijn te bewaken en worden de eindtermen in heel wat lagere scholen onvoldoende gehaald. Uit cijfers van de ministers blijkt dat er de voorbije drie schooljaren 25% ongunstige adviezen waren in het lager onderwijs t.o.v. 12,5% in het kleuteronderwijs.  Steve Vandenberghe wil dat de lessen lichamelijke opvoeding steeds door een specifieke en professionele vakleerkracht worden gegeven om zo te zorgen voor kwaliteitsvolle lessen lichamelijke opvoeding én een minder zwaar takenpakket voor de gewone leerkracht. “Zowel voor de gezondheid, de schoolprestaties van onze kinderen en het welbevinden van de leerkrachten is het belangrijk om een professioneel bewegingsbeleid te voeren”