Vanuit de hele wereld - van de VS tot de Europese Raad, van de Europese Commissie tot Marokko en Taiwan - krijg ik de vraag om onze aanpak van radicalisering in Vilvoorde toe te lichten. Maar de werkelijkheid is dat we als land nog altijd uitblinken in amateurisme.

Een kind dat sneuvelen in Syrië of Irak als zijn belangrijkste levensdoel ziet, moeten we niet alleen tegenhouden, maar vooral begeleiden.

Zo maakten we het onlangs mee dat een strijder uit Vilvoorde door een procedurefout vrijkwam uit de gevangenis. Ook kwam een strijder vrij met een enkelband, terwijl onze lokale politie daar niets over wist, omdat we in Halle-Vilvoorde nog geen eigen justitiehuis hebben. Om nog te zwijgen over (al of niet teruggekeerde) geradicaliseerde Syriëstrijders die simpelweg verhuizen naar de hoofdstad, om aan elke opvolging te ontsnappen. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten werken dikwijls naast elkaar. De breuk tussen nationale en lokale instanties blijkt geregeld compleet.

Identiteitskaart afnemen: en wat erna?

In februari van dit jaar schoof de regering-Michel pijlsnel 12 maatregelen naar voren om de terroristische dreiging tegen te gaan. Vandaag en morgen buigt het parlement zich over drie ontwerpen die geradicaliseerde jongeren en volwassenen moeten ontraden om zich aan te sluiten bij de gewapende strijd in Syrië of Irak.

Behalve van strafverzwarende maatregelen en de mogelijkheid om de Belgische nationaliteit af te nemen, valt op dat de regering ook werk maakt van het voorstel dat ik twee jaar geleden op tafel legde: de identiteitskaart intrekken. Dat was ook de vraag van mama's en papa's die, vaak wenend, in mijn kantoor smeekten om niet nog een van hun minderjarige kinderen te zien sneuvelen op een slagveld in Syrië. De intrekking van reis- en identiteitspapieren met de garantie dat de jeugdbescherming optreedt, blijft noodzakelijk. Ook nu nog pleit ik voor een regeling waarbij een burgemeester, op expliciete vraag van ouders, de identiteitsdocumenten van minderjarige geradicaliseerden tijdelijk kan intrekken, met de garantie dat de jeugdbescherming in een directe opvolging voorziet. Want hoe je het ook draait of keert, onze samenleving heeft de verantwoordelijkheid om deze jongeren te beschermen. Een kind dat sneuvelen in Syrië of Irak als zijn belangrijkste levensdoel ziet, moeten we niet alleen tegenhouden, maar vooral begeleiden. En daar schort het nu.

Federaal, regionaal en - vooral - lokaal

Geradicaliseerde salafistische predikanten en strijders tegenhouden is een legitieme keuze. Maar dan wel op voorwaarde dat we gelijktijdig de garantie bieden dat ze intensief worden opgevolgd (justitieel, politioneel en/of op een sociale manier). Hen mordicus tegenhouden zonder meer is spelen met vuur. Dan kunnen we hen beter gewoon dat reis­ticket bezorgen.

Het is verbijsterend vast te moeten stellen dat deze regering die visie niet deelt en zelfs voor een bijzonder contraproductieve en gevaarlijke piste kiest. Ze verkijkt zich volledig op de kracht van het radicalisme. Over landsgrenzen en partijgrenzen heen was er nochtans eensgezindheid over de cruciale rol van lokale besturen (politiediensten en steden en gemeenten). Zij hebben de sleutels in handen voor een integraal beleid om radicalisme aan te pakken.

Als ze lokale overheden niet aan hun lot wil overlaten, moet de regering twee belangrijke luiken in acht nemen: adequate opvolging en begeleiding van radicaliserende jongeren en teruggekeerde Syriëstrijders enerzijds én een uitgekiende, integrale aanpak tussen de verschillende beleidsniveaus anderzijds. Wie erop aanstuurt terreur te zaaien, laat zich niet tegenhouden door 3 wetsontwerpen of 12 maatregelen. Zij willen onze wetten overboord gooien. No matter what.

Om de terreurdreiging te lijf te gaan, moeten alle overheden eendrachtig een keiharde vuist maken tegen geweld, maar tegelijk ook een helpende hand uitsteken naar en respect tonen voor wie in nood verkeert en hulp behoeft. Dat vergt duidelijke afspraken en omkadering, net zoals een begeleidingstraject op maat met de nodige warmte.

Dat betekent, behalve sluitende samenwerkingsakkoorden tussen de federale en regionale overheden, goed uitgeruste en geëngageerde lokale besturen en politiediensten. Zolang dat niet gebeurt, is de strijd tegen radicalisering niet meer dan symboliek.

Dit opiniestuk verscheen in De Standaard (16/07)