Naar aanleiding van de 52ste Joodse bedevaart aan de voormalige Dossinkazerne te Mechelen gaf Caroline Gennez een toespraak. U kan deze toespraak hier nalezen.

Ik mag hier dan wel staan als schepen van de stad Mechelen om u welkom te heten; bij dit soort gelegenheden sluipt er een vreemde vorm van terughoudendheid en bescheidenheid bij me binnen.  (En ik erken dat dat ongewoon is voor een politicus.)
Ik ben geboren in 1975 en daarom voel ik me nog erg jong om uitspraken te doen over een van de zwaarst beladen episodes uit de recente geschiedenis van Europa. Mijn generatie is nog net opgevoed door ouders en grootouders die de ‘verhalen van de oorlog’ vertelden. Voor mijn generatie zijn dit ‘verhalen’ die we nog rechtstreeks konden horen van mensen die het meegemaakt hebben. Maar het blijven ‘verhalen’. Het zijn géén ervaringen. De jongere generaties, de kinderen van de eenentwintigste eeuw, hebben vaak geen ouders en grootouders meer die hen die verhalen kunnen vertellen. Verhalen worden dan ‘geschiedenis’ en krijgen dezelfde afstandelijkheid en wetenschappelijkheid die geschiedschrijving soms kenmerkt. Afstand nemen, heeft soms zijn voordelen, omdat het er voor zorgt dat historische feiten in hun context gebracht worden, inzicht gecreëerd wordt en de feiten zeer gedetailleerd in kaart kunnen worden gebracht. Maar afstand nemen houdt ook risico’s in, want zoals een bekend gezegde luidt: uit het oog, uit het hart. Vandaag zien we reeds dat veel jongeren niet meer weten wat de Shoa precies is geweest.

Precies omdat ik weet dat de geschiedenis van de Shoa gekerfd is in de harten van vele mensen die hier aanwezig zijn, mensen voor wie deze episode van absolute terreur geen verhaal of zelfs geen geschiedschrijving was, maar een onbeschrijflijk keerpunt dat hun leven heeft getekend, precies daarom word ik stil. (even stilte) De Shoa is de belangrijkste ervaring geworden in de levens van miljoenen mensen en daarom ook een metafoor voor de twintigste eeuw, of misschien zelfs een metafoor voor de meest duistere kant van de mens.

Hier op deze plek werd in 1942 door de nazi’s een doorgangskamp ingericht. Vandaag weten we dat de poorten van de hel in het begin van de jaren ’40 in Mechelen lagen. De griezelige efficiëntie waarmee de locatie werd gekozen - centraal gelegen tussen Brussel en Antwerpen, waar de meeste joden woonden - en vlakbij een spoorlijn, is tekenend. Maar niet enkel joden kwamen hier terecht. Ook een belangrijke groep Roma werd naar de Dossinkazerne gebracht. En laten we verder niet vergeten dat ook homoseksuelen, mensen met een handicap, vrijmetselaars, communisten, getuigen van Jehova en zelfs ‘economisch onwaardigen’ in de vernietigings- en concentratiekampen terecht kwamen. In theorie kan iedereen het slachtoffer worden van onmenselijkheid. En wat onrustwekkender is: in theorie kan iedereen het instrument worden van onmenselijkheid. Want vergeten we niet dat de Dossinkazerne niet enkel bewaakt werd door Duitsers, maar ook door Vlamingen. Velen van hen waren gewoon idiote sadisten, die de gevangenen kleineerden, er geweld op pleegden of hun vrouwelijke slachtoffers publiekelijk aanrandden. Meer dan 25.000 mensen werden van hier uit vervoerd naar Auschwitz. Slechts vijf procent overleefde de hel. De meesten werden bij aankomst meteen vergast. De oudste gevangene die op de eerste transporten vervoerd werd was 92, de jongste - een Romameisje - 38 dagen oud... Je vraagt je af hoe waanzinnig je kan zijn als je meent dat een 92-jarige en een meisje van 38 dagen oud ‘vernietigd moeten worden’. Nochtans was het geen waanzin die de drijvende motor was achter de holocaust. Het gaat om een complex samengaan van gebeurtenissen en attitudes, over macht en angst, over onverschilligheid, over misbegrepen identiteit, over meerderwaardigheidsgevoelens, over intolerantie... Het gaat over wat ons mens maakt en over alle dreigingen die onze menselijkheid verlagen tot een vorm van beestachtige domheid. Dat lijdt uiteindelijk tot uitspraken als deze van de führer, die verklaarde dat hij “niet wenste dat de concentratiekampen bejaardentehuizen zouden worden, maar instrumenten van terreur.”

U moet weten dat Mechelen in de vroege jaren ’40 - in opdracht van de bezetter - bestuurd werd door een VNV’er die ook vòòr de oorlog in de gemeenteraad zat. Dat betekent dat de slippendragers van de haat, de architecten van menselijk leed, ook in tijden van vrede, in tijden waarin de democratie de boventoon voert, tussen ons leven. Ook daarom is de Shoa een metafoor die ons waakzaam moet houden voor antidemocratische krachten, voor de kiemen van haat en intolerantie. We weten vandaag dat sinds WOII, ook in andere delen in de wereld, genocides zijn gepleegd, mensen omwille van hun geloof, etnische afkomst, geslacht, politieke overtuiging, seksuele geaardheid of omwille van wat dan ook, als minderwaardige wezens worden behandeld. Daarom zal het nieuwe museum een museum en documentatiecentrum worden over de holocaust én de mensenrechten. Ik heb er alle vertrouwen in dat de voormalige Vlaamse bouwmeester, architect bOb van Reeth, samen met kunstenaar Philippe de Aguirre en scenarist Jan Verswijfelt dit project tot een goed einde zal brengen.

Beste vrienden; Ik wil eindigen met een citaat van de voorzitter van het holocaustcentrum in Washington, Henry Friedman. Die zei: “Wij zijn allemaal verschillend en daarom heeft elk van ons iets speciaals en verschillend te bieden en kan elk van ons een verschil maken door niet on-verschillig te zijn." Ik hoop dat dit museum daar in de toekomst toe zal bijdragen.