Toegegeven, het is eerder uitzonderlijk, maar vandaag werd hevig gedebatteerd in de Senaat. De inzet? Het recht van ambtenaren om levensbeschouwelijke tekens te dragen. Bert Anciaux, fractieleider in de Senaat voor sp.a, diende een resolutie in om dit recht te garanderen en hield een vurig pleidooi voor een houding van actief pluralisme. Hij nam het op tegen meerderheidspartijen N-VA en Open VLD, die een totaalverbod op religieuze kenmerken willen invoeren voor voor alle ambtenaren.

De heer Bert Anciaux (sp.a). –Vandaag zijn we exact één maand na de aanslagen op de luchthaven van Zaventem en het metrostation Maalbeek. Ik ben me ervan bewust dat de oorzaken van deze terreurdaden niet zomaar kunnen worden geduid. Het zijn misdaden waarvoor niet zomaar iemand, behalve vanzelfsprekend de daders zelf, met de vinger kan worden gewezen. Heel wat aspecten moeten worden onderzocht en over heel wat zaken moeten wij als samenleving nadenken.

Sommige punten worden ook heel duidelijk en stevig aangepakt. Ik ben ervan overtuigd dat we het er Kamerbreed over eens zijn dat de veiligheidsproblematiek strenger moet worden aangepakt. Daarnaast zijn er echter nog andere zaken noodzakelijk. Voor sommige kunnen we wel een meerderheid vinden.

Onze uitdaging is zonder enige twijfel te proberen opnieuw een samenleving op te bouwen waarin iedereen vertrouwen heeft, waarbij iedereen betrokken wordt en waarin iedereen zijn verantwoordelijkheid wil opnemen. Heel veel mensen zullen het erover eens zijn dat we daarvoor gelijke kansen voor iedereen moeten creëren. Dat vereist een sterk non-discriminatiebeleid. Elke vorm van discriminatie moeten we heel stevig aanpakken. We moeten degenen die haat en onverdraagzaamheid prediken, de mond snoeren en ervoor zorgen dat haatdragers, van waar ook, duidelijk wordt gemaakt dat ze in geen geval kunnen spreken voor een kleine of grote groep in de samenleving, maar dat we met z’n allen vooruit willen.

Mijn overtuiging en de overtuiging van mijn fractie en partij is dat we nog een stap verder moeten gaan. We moeten ook duidelijk maken dat onze samenleving er een is van iedereen die er woont. We moeten duidelijk maken dat alle verschillen niet als een kwaad, maar als een rijkdom moeten worden bekeken. Vanzelfsprekend moeten we ervoor zorgen dat onze samenleving dezelfde waarden koestert en we moeten het debat daarover voeren.

Gisteren of eergisteren zag ik op het nieuws een bijeenkomst waarop de leiders van de grote godsdiensten en filosofisch-ideologische strekkingen duidelijk maakten dat ze samen willen vechten voor dezelfde waarden. Maar tegelijkertijd voel en hoor ik vaak dat niet iedereen even open staat voor alle godsdiensten en strekkingen in onze samenleving. Sommige mensen die ik daar zag, heb ik ook horen zeggen dat het tijd wordt dat we bepaalde privileges voor godsdiensten aanpakken en dat we nadenken over de rol van godsdiensten in ons publiek domein.

Daarom wordt onder meer in de Kamer het debat gevoerd over de laïcité als onderdeel van de Grondwet.

Onze fractie is er rotsvast van overtuigd dat de overheid en de Staat neutraal moeten handelen ten opzichte van alle mensen die op hen een beroep doen. Dat is vanzelfsprekend. Er mag ook op dat terrein vanzelfsprekend geen discriminatie bestaan.

De vrijheid van godsdienst – en uiteraard ook de vrijheid van niet-godsdienst – heeft echter ook consequenties. Het betekent niet dat men zijn godsdienst alleen kan beleven en belijden thuis, diep in de kelder. Dat is geen vrijheid van godsdienstbeleving of van niet-godsdienstbeleving. Iedereen moet het recht hebben om zijn overtuiging, zijn geloof, te uiten. Onze samenleving moet, naast de antidiscriminatie, een gelijkekansenbeleid en het zoeken van gemeenschappelijkheid, een stap verder zetten. Ik heb het over het actief pluralisme.

Op de hedendaagse multiculturele samenleving zijn slechts twee antwoorden mogelijk. Die multiculturele samenleving kan niet lukken als ze niet verder gaat dan een naast elkaar bestaan en het gedogen van elkaar. Een antwoord op de multiculturele samenleving is dat men de mensen wijsmaakt dat de multiculturaliteit vervangen moet worden door monoculturaliteit, dat men zover gaat dat de verscheidenheid afgevlakt en weggegomd wordt en dat mensen zich eenzijdig moeten aanpassen aan de overheersende stroom in een samenleving. Dat vind ik een bijna misdadige optie, omdat we in een superdiverse samenleving leven en de samenleving alleen maar nog meer superdivers zal worden. Mensen wijsmaken dat men terug kan gaan naar een monoculturele samenleving is gevaarlijk. Het is een leugen. Men houdt de mensen iets voor en men doet alsof dat de enige garantie op veiligheid en zekerheid is en daardoor jaagt men hun angst aan.

Het andere en volgens mij enige mogelijke antwoord is dat van de interculturaliteit. Dat is veruit het moeilijkste antwoord. Het is niet het gedogen van elkaar, maar het actief waarderen van verscheidenheid. Ongeacht de cultuur die ieder heeft, erkent men dat in elk van ons iets goeds zit voor de opbouw van onze gemeenschappelijke samenleving. We brengen respect op voor de verscheidenheid en vragen respect voor onze identiteit, voor onze veelheid aan identiteiten. We zijn immers niet identiek. We zijn uniek.

We zijn niet identiek. Elk van ons is inderdaad uniek, met een veelheid aan identiteiten.

Je kan maar verwachten dat mensen respect opbrengen voor anderen als ze ook het recht hebben op zelfrespect. Als zij ook beseffen dat hun cultuur, hun afkomst, hun ‘zijn’ wordt gerespecteerd in die samenleving. Dit is actief pluralisme. Het gaat hier niet om iets neutraals, iets passiefs, maar om iets waar we elke dag aan moeten werken. Dit is verdomd moeilijk, maar het is wellicht – daar zijn we rotsvast van overtuigd – de enige mogelijkheid om zonder haat en zonder onverdraagzaamheid een samenleving op te bouwen. Niet op een naïeve manier, maar in het besef dat zoiets heel veel uitdagingen vergt.

Dit actieve pluralisme gaat er ook van uit dat een overheid, een Staat, moet worden erkend als iets wat eigen is aan en eigendom is van elk van de leden van die Staat. Die overheid, die Staat, mag niet ver van ons staan. Wij vormen allemaal samen de basis van die Staat. Het moet een overheid, een Staat zijn, die samenvalt met ons, met de gemeenschap, of toch zoveel mogelijk. Ik weet dat sommigen zullen zeggen dat ik ook het recht geef aan misdadigers om een onderdeel van die Staat te zijn en hierin aanwezig te zijn. We moeten natuurlijk regels afspreken, samen grenzen afbakenen. Sommigen zullen de muren van die samenleving dikker maken, terwijl anderen ze minder dik zullen maken. Dat is een andere discussie. Dat onze overheid zoveel mogelijk moet samenvallen met onze gemeenschap, is echter wel onze overtuiging. Vanuit deze overtuiging moet de overheid, de Staat, die diversiteit, die veelheid aan kleuren in zich dragen. Mensen kunnen maar vertrouwen krijgen in het overheidsapparaat indien zij daar ook voor een stuk zichzelf in herkennen. Om die reden vormt die verscheidenheid aan kleuren, aan uiterlijke tekenen van overtuigingen en religie voor ons helemaal geen schending van het neutraliteitsbeginsel, maar is ze integendeel een uiting van die overheid naar die burgers van respect en betrokkenheid. We kunnen die samenleving slechts opbouwen wanneer elk lid van die gemeenschap zich hiervan een deel voelt. Elk lid van die gemeenschap moet zeggen: “Verdomd ja, dit is de Staat waar wij voor gaan!”. In dat geval kan men hard sanctionerend optreden, want dan geeft men de kansen aan iedereen.

Dit is een zeer belangrijk debat, dat volgens mij veel te weinig wordt gevoerd. In de geschiedenis van de migratie, dat een eeuwenoud verschijnsel is, is er de laatste vijftig jaar een uitdrukkelijk grote migratiestroom naar ons land geweest.

Behalve in de beginjaren is het migratiebeleid geen integratiebeleid geweest, maar een assimilatiebeleid dat er niet op gericht was te zeggen: jij en ik gaan samen een nieuwe toekomst bouwen, maar dat er alleen op gericht was de nieuwkomers uitsluitend aan te passen aan alles van de meerderheid. Ik heb daar zelf ook onderzoek rond gevoerd en ik stel vast dat in onze welvaartsstaat, onze welzijnsstaat, de vele duizenden goed menende beroepskrachten op gebied van welzijn en geluk, op gebied van cultuur, onderwijs en tewerkstelling te weinig de link leggen met de groepen nieuwkomers die vandaag toekomen. Als we daar niet ernstig in investeren, vrees ik dat we nog veel meer samenlevingsproblemen gaan kweken. Dan vrees ik dat onze kinderen veeleer in een samenleving van wantrouwen gaan terechtkomen dan in een samenleving van vertrouwen. Dat is nochtans waar we allemaal wel naartoe willen.