“In een open brief aan de minister van Justitie hebben de Brusselse raadsheren hun ongenoegen geuit over het nieuw paradepaardje van minster Geens en premier Michel: de oprichting van een Brussels International Business Court. In de brief wordt een reeks fundamentele bedenkingen geopperd, die ik volledig deel”, stelt lid van de commissie Justitie Annick Lambrecht.

“De minister heeft het over een overheidsrechtbank die internationale geschillen tussen bedrijven zal beslechten in het Engels. Een unieke Engelstalige rechtbank van koophandel waarvan de toegang afhankelijk wordt gemaakt van een substantiële bijdrage die betaald dient te worden door de rechtzoekende onderneming. Deze oprichting kadert perfect binnen het justitie-met-twee-snelheden-beleid dat minister Geen instelt : de toegang tot de rechter wordt voorbehouden voor de rijkeren in onze samenleving.

Minister Geens heeft het over een overheidsrechtbank die moet worden ondergebracht onder de rechtbank van koophandel. Anderzijds stelt hij dan weer dat deze overheidsrechtbank, behalve wat betreft de tenuitvoerlegging, onderworpen zal worden aan bijzondere regels en ook niet zal worden ondergebracht in de beheerstructuur van de gewone hoven en rechtbanken.

In wezen betreft dit de oprichting van een bijzondere rechtbank wat in strijd is met artikel 146 van de grondwet dat stelt dat “geen buitengewone rechtbanken of commissies, onder welke benaming ook, kunnen in het leven geroepen worden.” Het gaat hier eigenlijk om het nationaliseren van private arbitrage. Immers, in de nieuwe overheidsrechtbank zullen experts zetelen, beslissingen worden genomen met consensus van beide partijen met het Engels als voertaal en er is geen beroep mogelijk. Dit zijn alle kenmerken van de op vandaag bestaande private arbitrage en die staan haaks op de principes van een rechtbank waar gewerkt wordt met beroepsrechters (soms aangevuld met consulaire rechters), waar naar rechtvaardigheid een beslissing wordt genomen een landstaal als voertaal waartegen beroep open staat.

Tot slot stelt de minister dat de rechtbank zelfbedruipend zal te werk gaan. Zelfbedruipend, terwijl wel geplukt zal worden uit de beroepsrechters en griffiers van de bestaande overheidsrechtbanken en de bestaande infrastructuur ter beschikking zal moeten worden gesteld. En zelfs wanneer abstractie gemaakt wordt van het voorgaande bedenking, is het niet de taak van de overheid om private arbitrage te organiseren, zeker niet in tijden waar de ene besparingsmaatregel (verhoging van de rolrechten, vermindering van het aantal vredegerechten, verplichte bijdrage voor de tweedelijnsbijstand..) de andere opvolgt."