Een opvallend berichtje deze week op twitter van Peter De Keyzer, hoofdeconoom bij BNP Paribas en van Marc Devos, econoom van Itinera : “Duitsland: lager staatsbeslag, meer economische groei & ook minder armoede dan in België”.

"Wie werkt, moet ook van zijn loon kunnen leven. Wie dit zegt, durft nogal eens het verwijt te krijgen een conservatieveling te zijn met een rode neus. Is dit conservatief? Neen."

Het is niet de eerste keer dat het “Duitse mirakel” door bepaalde economische en politieke figuren als uitweg uit de economische crisis naar voor wordt geschoven. Het zal allicht ook niet de laatste keer zijn. Reden te meer om één en ander duidelijk te stellen, met name over de armoedecijfers. Dat is nodig, want ook De Zevende Dag gebruikt nu de cijfers van Peter De Keyser. Zoals zal blijken had de VRT beter de cijfers van Eurostat geraadpleegd in plaats van de statistieken van Itinera zomaar over te nemen.

De cijfers van Eurostat over armoede.

Wie de cijfers van Eurostat wil raadplegen over armoede, moet eenvoudig weg naar hun website gaan. Met enig geduld vind je dan de volgende armoedecijfers :

Armoederisico

amoederisico

De conclusie is duidelijk : de kans op armoede is in België de laatste vijf jaar gestegen van iets onder vijftien procent naar iets boven de vijftien procent, de kans op armoede in Vlaanderen is de laatste vijf jaar duidelijk gedaald van goed elf procent naar iets onder de tien procent. De kans op armoede in Duitsland ten slotte is in die periode gestegen van twaalf en een half procent tot net geen 16 procent. Bovendien is het percentage van Duitsland in 2011 twee derden hoger dan Vlaanderen. Het Vlaamse cijfer behoort overigens tot de laagste in Europa en de dalende trend is in de Europese context uitzonderlijk te noemen. De dalende armoedekans in Vlaanderen en de beperkte stijging in België heeft te maken met de welvaartsvastheid van de uitkeringen en een beperktere stijging van de werkloosheid dan in andere landen. De sterke stijging van de kans op armoede in Duitsland heeft te maken met een beperking van de uitkeringen en met het invoeren van mini-jobs, waardoor het aandeel mensen die werken én arm zijn, sterk is toegenomen : 5 miljoen mensen hebben geen andere beroepsinkomsten dan de maximum 450 euro per maand die een mini-job toelaat (volgens Eurostat : 4.2 % “working poor” in België, 7.7% “ working poor” in Duitsland – cijfers 2011). Blijkbaar behagen deze cijfers niet iedereen en moet absoluut het Duitse Wonder” in de verf gezet worden. Daarom gebruiken ze niet de armoedecijfers, maar de cijfers “risk of poverty or social exclusion”. Ik geef ook die cijfers weer .

Armoederisico en sociale uitsluiting

armoederisico en sociale uitsluiting

Wat leren ons die cijfers ? Deze cijfers geven een samengestelde tabel weer van armoederisico en onder andere werkloosheid. Ze tonen niet alleen de kans op armoede, ze voegen daar onder meer het al dan niet hebben van een job als parameter aan toe. Wie werk heeft doet sowieso het percentage dalen, ook al is het een mini-job van 450 euro. De cijfers geven dus weer dat in Duitsland de armoede stijgt, maar de werkloosheid daalt (want de 5 miljoen mensen met enkel een mini-job zijn niet meer als werkloos opgenomen). De tabel is dus niets meer dan een mooie truc om de armoedecijfers op te smukken. Werk is uiteraard belangrijk, maar door dit mee te nemen in de bepaling van de armoedecijfers, wordt volledig voorbij gegaan aan het fenomeen van de werkende armen. En laat dit nu net onze kritiek zijn op het Duitse systeem.

Mini loon - maxi werk

Voor bepaalde werkgeversorganisaties, economen en politici zijn de Duitse zogenaamde mini-jobs de wonderoplossing, de enige weg richting het “Duitse mirakel”. Maar wat zijn deze mini-jobs die wij zo dringend nodig hebben? Meer dan 7 miljoen Duitsers hebben een mini-job. Een deel van hen combineert dit met een andere volwaardige job, maar voor 5 miljoen van hen is dit hun enige werk. Bij de mini-jobs staat er geen limiet op het aantal gewerkte uren en er is ook geen minimaal uurloon. Mini-jobs geven geen recht op sociale bescherming. Enige voorwaarde is dat de werknemer maximum 450 euro per maand verdient. De “mini” in mini job slaat dus niet op het aantal gewerkte uren maar wel op een mini-loon en een mini-sociale bescherming.

Het kan ook anders.

Wie werkt, moet ook van zijn loon kunnen leven. Wie dit zegt, durft nogal eens het verwijt te krijgen een conservatieveling te zijn met een rode neus. Is dit conservatief? Neen. Het zou enkel conservatief zijn mochten we alles willen houden zoals het is. Maar dat willen we niet. Wij willen op termijn dat de werkgeversbijdragen die nu voor iedereen 33 procent van het brutoloon zijn, voor lager geschoolden sterk verlaagd wordt, bijvoorbeeld tot 5 procent. In afwachting daarvan verlaagt het door de regering goedgekeurde Activa-systeem van Monica Deconinck voor jonge laaggeschoolde werklozen de loonkost met ongeveer 10 000 euro per jaar, of 20 procent,van de loonkost. De jongeren houden wel tussen de 1300 en 1400 euro netto-loon. Verschillende bedrijven hebben al laten weten dankzij dit systeem jongeren te kunnen aanwerven in banen die anders verloren zouden zijn gegaan. Daarnaast komt er een wijziging voor de gelegenheidsarbeid, is er een algemene lastenverlaging van 400 miljoen euro op jaarbasis, worden de eerste aanwervingen in een KMO goedkoper.

Zoals gezegd is dit de eerste stap van een maxi-hervorming van de loonlast, niet een eerste stap naar mini-jobs.