'Het verdwijnen van het bankgeheim is een noodzakelijke stap op weg naar een eerlijke fiscaliteit. En goed voor de begroting', vindt Dirk Van der Maelen. Dus moet het parlement het afschaffen. Van der Maelen is parlementslid in de Kamer en ondervoorzitter van sp.a.

Sinds 2007 hebben meer dan 16.000 Belgen hun buitenlandse bankrekening opgedoekt. Het aantal mensen die een buitenlandse bankrekening bij de fiscus aangeven is daarmee met 13 procent afgenomen. Toenemende internationale fiscale samenwerking, onder meer via de spaarrichtlijn, heeft ertoe geleid dat buitenlandse rekeningen minder interessant worden.

Het wordt dus steeds moeilijker (zwart) geld in het buitenland verborgen te houden voor de Belgische fiscus. Meer nog, de beste manier om de Belgische fiscus op afstand te houden... is een bankrekening in België zelf. Met betrekking tot de inkomstenbelastingen werd het fiscaal bankgeheim de voorbije vijf jaar amper 28 keer opgeheven, terwijl de fiscus alleen al in 2007 meer dan 200.000 inlichtingen over buitenlandse bankrekeningen van Belgen heeft ontvangen in het kader van de spaarrichtlijn. België als veilige haven voor zwart geld?

Dat klopt, maar dan wel alleen voor de Belgen zelf. Want op internationaal vlak heeft ons land onlangs het geweer van schouder veranderd. Gegevens over intrestinkomsten van Fransen, Duitsers en andere Europeanen bij Belgische banken worden vanaf dit jaar automatisch aan de fiscale administratie van hun land bezorgd in het kader van de spaarrichtlijn.

En als de fiscus van een partnerland zich tot België richt met een specifieke vraag over de bankgegevens van een onderdaan, dan zal die de gevraagde inlichtingen krijgen. Daartoe heeft België zich geëngageerd in de Europese Unie en binnen de OESO. Bovendien is het politiek akkoord over de nieuwe Europese richtlijn die de administratieve fiscale samenwerking regelt er gekomen onder het Belgische voorzitterschap. Het Belgisch bankgeheim in die omstandigheden onverkort handhaven is een spreidstand die zelfs bij Kim Clijsters een zware blessure zou veroorzaken.

Hoe zijn we tot die spreidstand gekomen? De financiële en economische crisis heeft in de meeste landen tot grote begrotingstekorten en oplopende staatsschulden geleid. In die context verklaarden grote landen als de VS, Frankrijk en Duitsland de oorlog aan het bankgeheim. Niet hun eigen bankgeheim want dat hebben ze niet, maar het bankgeheim van andere landen zoals België.

De Amerikanen, Fransen en Duitsers waren het beu dat hun inwoners zich konden verschuilen achter dat bankgeheim en zich zo onttrokken aan een eerlijke fiscale bijdrage. Begin 2009 kondigden Merkel en co. aan dat op de G20-top van 2 april in Londen een 'zwarte lijst' met fiscale paradijzen zou worden gepubliceerd. Imagoschade zou hun deel zijn.

Zwarte lijst

Minister Reynders (MR) voelde de bui hangen en ongeveer twee weken voor de G20-top liet hij aan de OESO en aan de Europese Commissie weten dat het Belgisch bankgeheim niet meer zou gelden ten aanzien van buitenlanders. Het voornemen werd ongetwijfeld op applaus onthaald, maar toch kwam België op de zwarte lijst terecht.

Reynders was woest. Goede voornemens bleken onvoldoende, België moest met minstens twaalf landen een akkoord sluiten waardoor uitwisseling van bankinlichtingen effectief mogelijk werd. Enkele maanden later kwam die teller op twaalf en werd België van de zwarte lijst gehaald. Nadien bleef ons land internationale verdragen heronderhandelen met het oog op de uitwisseling van bankinlichtingen.

De klik was gemaakt, het Belgisch bankgeheim dood en begraven, althans ten aanzien van buitenlandse fiscale administraties. Ons land helpt nu dus andere landen hun fiscale bijdragen beter te innen, maar voor de Belgische fiscus veranderde er niets.

Min of meer gelijktijdig met de toenemende internationale politieke druk op het bankgeheim kwam het bankgeheim ook in België onder druk te staan. De parlementaire onderzoekscommissie Fiscale Fraude werd in april 2008 opgericht om na te gaan hoe het komt dat het zo moeilijk is om fiscale fraude effectief te beteugelen.

Een van de voornaamste vaststellingen van de onderzoekscommissie was dat 'het bankgeheim zoals het in België is georganiseerd een echt beletsel vormt voor een doeltreffende bestrijding van de fiscale fraude.' Uit getuigenissen bleek dat de voorwaarden om het bankgeheim op te heffen veel te restrictief zijn: de fiscus moet over concrete elementen beschikken die het bestaan of de voorbereiding van fiscale fraude kunnen doen vermoeden.

Dat is de omgekeerde wereld. Het is net het fiscaal bankgeheim dat het aantonen van fiscale fraude - en dus van de intentie daartoe - bemoeilijkt. De onderzoekscommissie beval dan ook aan de fiscus makkelijker toegang te geven tot bankinformatie. In mei 2009 keurde de Kamer bijna unaniem alleen LDD stemde tegen de aanbevelingen van de onderzoekscommissie goed.

Niet iedereen was ingenomen met de aanbevelingen van de onderzoekscommissie. Volgens professor fiscaal recht en advocaat in vele grote fraudedossiers Thierry Afschrift is het bankgeheim verdedigen "simpelweg het verdedigen van het individu tegen onderdrukking". Eminente collega's van Afschrift, zoals Axel Haelterman en Luc Debroe, zijn wel mee geëvolueerd.

Vorige week verklaarde zelfs de vertegenwoordiger van Febelfin, de koepel van de banken, in de commissie Financiën dat ze akkoord gaan met de afschaffing van het bankgeheim mits de procedure duidelijk zijn en de privacy van hun klanten voldoende gewaarborgd is. Het is interessant te weten wat de banken ervan denken, maar het mag duidelijk zijn dat zij in dit debat geen vetorecht hebben. Ze zijn met miljarden euro's belastinggeld gered, als de samenleving dan vraagt dat ze een handje toesteken in de strijd tegen de fraude dan moeten zij zich daar, net zoals de banken in onze buurlanden, naar schikken.

De bezorgdheid om de privacy is geen monopolie van de banken, maar een aandachtspunt van iedereen. Het is niet de bedoeling dat om het even welke bankgegevens raadpleegbaar zijn door iedereen die dat wenst. Duidelijke procedures en waarborgen voor de privacy zijn onontbeerlijk. Het is wat mij betreft duidelijk dat de opgevraagde bankinlichtingen relevant moeten zijn, dat zijn het lidmaatschap van een politieke partij of culinaire bezoeken aan Bruneau bijvoorbeeld niet.

Ik ben ook akkoord dat een hogere ambtenaar de toestemming moet geven voor het bankonderzoek zodat misbruik wordt vermeden, dat de betrokkene eerst de kans krijgt om zelf de gevraagde info te verstrekken, en dat de betrokkene ervan op de hoogte wordt gesteld indien de fiscus zich uiteindelijk toch tot zijn of haar bank zal wenden.

De procedures en de waarborgen voor de privacy mogen er echter niet toe leiden dat het fiscaal bankgeheim misschien wel in theorie verdwijnt, maar in de praktijk blijft bestaan. We hebben nood aan soepele procedures die ons behoeden voor procedureslagen tussen de fiscus en gespecialiseerde advocatenkantoren. En voor de praktische uitvoering is er nood aan een gecentraliseerd register dat van elke burger alle bankrekeningnummers bevat.

Wanneer de fiscus dan een bankonderzoek wil uitvoeren kan hij dat register raadplegen en vervolgens gericht de betrokken banken ondervragen. Ook de witwascel, de politie en het gerecht zijn vragende partij voor zo'n centraal register. Tijdens de laatste hoorzitting heeft Febelfin verklaard zich hierin te kunnen vinden, al willen ze liefst zelf dat register beheren. Ik vind dat het beheer van dat centraal register best toegewezen wordt aan de Nationale Bank.

Springen

Het is duidelijk dat de opheffing van het bankgeheim een positieve impact zal hebben op de begroting en op alle toekomstige begrotingen. Hoe beter de fraude kan worden aangepakt, hoe minder inkomsten de overheid elders moet zoeken. Het verdwijnen van het bankgeheim is bovendien een noodzakelijke stap op weg naar een eerlijke fiscaliteit.

Het is immers de eerlijke belastingbetaler die opdraait voor de fiscale bijdragen die fraudeurs ontduiken. En wie correct zijn fiscale bijdragen betaalt of wiens inkomen door de fiscus is gekend, zoals dat voor loon- en weddetrekkenden het geval is, hoeft niets te vrezen. Het zijn de grote fraudeurs die zich ongerust moeten maken. De kans dat zij met hun fraudeconstructies wegkomen, verkleint aanzienlijk door de opheffing van het bankgeheim.

Na een finale ronde hoorzittingen vorige week vat binnenkort de bespreking van de betrokken wetsvoorstellen aan. Het is tijd om te springen, om in het parlement tot een akkoord te komen en komaf te maken met het bankgeheim. We hoeven daarvoor niet te wachten op een regering. Gelukkig maar.

 

Dirk Van der Maelen