De Belgische niet-financiële vennootschappen beschikken over meer dan 112 miljard euro cash (chartaal geld en deposito’s). Dat is zowat 28% van het BBP. Bij de start van de financiële crisis was dat nog 23% BBP. Dat betekent dus dat die vennootschappen 30 miljard euro extra cash hebben opgespaard. In plaats van zoveel cash aan te houden, zouden ze ook meer kunnen investeren. Maar toch doen ze dat niet. In deze context zal een verlaging van de vennootschapsbelasting meer dan waarschijnlijk leiden tot een nog grotere berg cash en niet tot investeringen en jobs.

Knipsel

Dat vennootschappen steeds meer cash aanhouden is eigenlijk een paradox. De zeer lage rente zorgt er immers voor dat dit geld weinig of niets opbrengt, zeker in vergelijking met het pre-crisis niveau. Een omgekeerde trend was dus logischer geweest. Sommigen verklaren de zogenaamde ‘cash hoarding’ vanuit een gevoel van onzekerheid. De grotere hoeveelheid cash moe(s)t als buffer moet dienen tegen nieuwe economische schokken. Maar dat lijkt onvoldoende als verklaring.

Waarom wordt er te weinig geïnvesteerd? Omdat de vraag te laag is, zegt het IMF: “Firms have reacted to weak sales—both current and prospective—by reducing capital spending.” [1] Volgens de statistieken van de Nationale Bank maken ook onze ondernemingen winst, maar investeren ze nog altijd te weinig en houden ze steeds meer cash aan. De kans dat een verlaging van de winstbelasting in die omstandigheden wél meer investeringen en meer jobs zal leiden, is dan ook zeer twijfelachtig. Het volgende scenario is realistischer: vennootschappen zullen een groter deel van de winst gewoon voor zich houden en hun berg cash nog vergroten. Of de extra winst uitkeren aan hun aandeelhouders.