Je ziet ze al van ver: de werknemers van buurtbeheerbedrijf Manus. Ze hebben opvallende fluo-vestjes aan met op de rug een grote groene hand, het logo van Manus. Elke dag steken hier in deze wijk van Antwerpen zo’n zeventien arbeiders en drie instructeurs de handen uit de mouwen om samen te werken aan een propere, leefbare stad.

Vandaag zijn ze aan het werk op het plantsoen rond een kerk in de wijk. Ze komen uit alle windstreken van de wereld, hebben alle kleuren, maar één ding hebben ze gemeen: hun groene vingers. En hun goesting om te werken, elkaar te leren kennen. “Met al die verschillende talen is het soms moeilijk”, lacht Manus-directeur Katleen Vermeiren. “Maar ze verstaan elkaar best.” “Als het gras of de haag niet kort genoeg geknipt zijn, maken we dat elkaar wel duidelijk met handen en voeten”, zegt een van de arbeiders, van Chileense afkomst.

Manus bestaat twaalf jaar en is intussen uitgegroeid tot een fors bedrijfje. Met een stevige poot in diverse Antwerpse wijken, in Mechelen en binnenkort ook in Brussel. Er is dan ook nood aan sociale economie. Dat merk ik ook in mijn eigen stad als schepen van Economie en Werk en als voorzitter van het Regionaal Sociaaleconomisch Overlegcomité (RESOC).

In Antwerpen stelt Manus 180 arbeiders te werk, in Mechelen zijn dat er 13. Geen ‘gewone’ arbeiders, eerder ‘buitengewoon’. Het zijn mensen die (voorlopig) nergens anders aan de bak komen op de reguliere arbeidsmarkt. “We werken wel aan doorstroming”, vertelt Katleen. “Naast de job die ze hier leren, krijgen de arbeiders waarvan we denken dat ze kunnen doorstromen, hier tips voor het schrijven van brieven en cv’s en actieve begeleiding naar een reguliere job. Makkelijk is dat traject niet.”

Manus is wat de naam zegt: het leent handen uit voor allerlei klusjes in de stad. Gaande van de schoonmaak rond glasbollen tot het ophalen van zwerfvuil, het onderhoud van trappen en inkomsthallen van sociale woonblokken tot groenaanleg en renovatie. “Heel uiteenlopend allemaal”, zegt Katleen. “Maar al die klusjes hebben één ding gemeen: ze kunnen de sfeer in een buurt zichtbaar verbeteren.”

Na hun werk, om 16 uur, verzamelen de arbeiders in de fraai opgeknapte kantoren annex kantine, die ook open is voor alle buurtbewoners. Een job, zo leer ik weer, is meer dan een loonbriefje op het einde van de maand: het geeft ook zin aan het leven en eigenwaarde. En het smeedt sociale banden. Ecuadorianen of Chilenen, Afghanen of Antwerpenaren: de band is hier duidelijk hecht en warm.

“Tijdens het weekend dragen we die jasjes ook”, vertelt een van de arbeiders mij. “Als je de hele week zwerfvuil hebt opgeruimd, ga je zelf ook meer geven om je buurt. En dan spreek je er ook je buren op aan.”

Manus is een mooie illustratie van hoe de sociale economie de kinderschoenen ontgroeid is. Dit werk heeft nog altijd een sociale functie: mensen die moeilijk aan een job geraken, krijgen hier op een zeer menselijke manier wat structuur en werkattitude aangeleerd. Maar het werk zelf moet ook pico bello zijn. “We doen dit werk niet alleen”, zegt Katleen. “We slaan de handen in elkaar met de buurtbewoners, overheids- en privépartners.”

sp.a wil dat zoveel mogelijk mensen aan de slag kunnen op de reguliere arbeidsmarkt. Maar de sociale economie vervult een belangrijke leemte én is idealiter een tussenstation voor vele mensen die evenveel recht hebben op waardig werk als elk ander. In de Vlaamse regering heeft minister voor Sociale Economie Freya Van den Bossche vorige week nog 4 miljoen euro extra geïnvesteerd in innovatie in de sociale economie. Nog voor de zomer zal ze een oproep lanceren aan de sector om voorstellen in te dienen. “Ik mik daarbij op de eerste plaats op innovatie die gericht is op het aanboren van nieuwe marktniches, het versterken van de begeleiding en het verbeteren van de bedrijfsorganisatie”, zei ze bij de voorstelling van die maatregel.