Werkgevers en werknemers buigen zich de laatste dagen over een aanpassing van het stelsel van de aanvullende pensioenen. De regering wil het gegarandeerde minimumrendement op wat werkgevers en werknemers in de ‘tweede pijler’ sparen, loslaten voor een variabel rendement dat de markt volgt. In een opinie in de krant De Tijd legt Jan Cornillie uit wat hier op het spel staat. In deze blog berekenen we concreet wat dit betekent voor uw pensioen. Als de werkgevers daadwerkelijk hun zin krijgen, wordt uw aanvullend pensioen met zo maar eventjes 30% gekortwiekt. Of anders gezegd: elk jaar een nieuwe indexsprong voor werknemers en dat liefst 20 jaar lang.
De wet aanvullende pensioenen van 2003 (WAP) bepaalt dat het rendement op bijdragen van de werkgevers minstens 3,25% moet bedragen en op dat van werknemers minstens 3,75%. Maar door de economische crisis en het lage rentebeleid van de Europese Centrale Bank is dat jaarlijkse rendement al enkele jaren aan het dalen. In zo’n geval bepaalt de wet dat werkgevers extra moeten bijstorten als het minimumrendement niet wordt gehaald. Nu willen werkgevers van dat risico af en krijgen ze daarbij de steun van de Nationale Bank van België, die toezicht houdt op de banken en verzekeringsinstellingen. Terwijl de vorige regering de Nationale Bank niet volgde, is de huidige dat  wél van plan. De regering Michel-De Wever kiest ervoor het risico bij werknemers - en dus toekomstige gepensioneerden - zelf te leggen.

Wat zijn de gevolgen?

Wat gebeurt er als het vast minimumrendement wordt losgelaten en vervangen door een variabel rendement, zoals deze regering wil? In deze blog gaan onderzoeken we twee mogelijke scenario’s.
In een eerste scenario gaan we uit van een rendement dat gelijk is aan het rendement op de Belgische staatsobligaties op 10 jaar (1) . Deze bedraagt vandaag 0,96%. In een tweede scenario kijken we naar wat de verzekeringsmarkt op dit moment biedt als rendement voor een TAK 21-producten: 1,25%. De evolutie van de rentevoeten kunnen we onmogelijk voorspellen. Daarom gaan we ervan uit dat de variabele rente elk jaar deze waarden zullen hebben.
Wanneer we beide scenario’s vergelijken met de wet van 2003, zien we dat werknemers hun aanvullend pensioen flink zien achteruit gaan. Als we het uitstaand kapitaal in de tweede pijler (79,5 miljard (2) ) laten groeien met de verschillende groeivoeten, verliezen werknemers na 20 jaar om en bij 30% van hun toekomstig aanvullend pensioen.  Als we rekening houden met jaarlijks extra stortingen, is dat verlies in absolute termen groter, maar in relatieve termen iets kleiner.

Met andere woorden: het loslaten van het gegarandeerd minimumrendement betekent over 20 jaar een transfer van naar schatting 50 a 60 miljard van de werknemers naar de werkgevers. Ter vergelijking, die impact op het aanvullend pensioen komt in grootte-orde overeen met die van de indexsprong op de lonen.
En wat betekent dit voor een individueel aanvullend pensioen? Met een gemiddeld uitstaand kapitaalbedrag van 30.000 euro per werknemer, is het verlies na 20 jaar voor een werknemer 18.000 tot 20.000 euro wanneer we geen bijstortingen (3) veronderstellen, en 21.000 tot 23.000 euro wanneer we jaarlijkse bijstortingen  veronderstellen. De gemiddelde werknemer verliest dus 1.000 euro per jaar tegen 2035.

Kortom: de werkgevers willen het risico niet meer zelf nemen. Dus wordt met de hulp van de regering Michel-De Wever het risico verschoven naar werknemers. Dit is de laatste uitloper van de bankencrisis: de winsten worden geprivatiseerd, de risico’s worden op de werknemers afgewenteld. Dit moet stoppen.