Deze week stemt het Europees parlement een rapport over de ‘rol van steden in het institutionele raamwerk van de Unie’. Dat is een hele mond vol om te zeggen dat er een wettelijke basis moet komen om steden systematisch en actiever te betrekken bij dat grensoverschrijdende, Europese beleid. Vandaag hebben steden weliswaar een adviserende rol, maar in tegenstelling tot lidstaten hebben ze formeel niets in de pap te brokkelen. Dat gaat in tegen alle trends die we internationaal zien. Steden worden groter, autonomer, pro-actiever op vlak van beleid op alle niveaus, ook op het internationale niveau.

De impact die natiestaten nog hebben op een geglobaliseerde economie of op grensoverschrijdende uitdagingen zoals klimaatverandering of migratie is steeds beperkter geworden. Om die uitdagingen de baas te kunnen, moeten natiestaten samenwerken in grote post-nationale structuren. Europa, de bakermat van de natiestaat, is ook het eerste continent geweest dat dat beseft heeft, met de oprichting van de EU.

De overkoepelende post-nationale structuren kampen echter met een ernstig democratisch deficit. Beslissingen worden ver van de burger genomen en hun complexiteit maakt het er voor gewone mensen niet makkelijker op om instellingen zoals de Unie een warm hart toe te dragen. Dat heeft neo-nationalistische en populistische partijen de wind in de zeilen gegeven. Ze willen de ‘soevereiniteit’ terug grijpen en terugkeren naar de natiestaat, waarin een etnisch-cultureel zuiver ‘wij’ zich kan afzetten tegen een bedreigend ‘zij’.

Nochtans is het ‘terugbrengen’ van beleidsbeslissingen naar het lokale niveau wel degelijk actueel. Alleen zijn het niet de natiestaten die daarin een belangrijke rol spelen, maar de steden. Dat heeft ook het Europees parlement begrepen. De stad is immers de Unie in het klein: zeer divers van bevolking, een mengelmoes van talen en culturele gebruiken én de plek waar burgers vaak het eerst en het meest indringend geconfronteerd worden met grensoverschrijdende uitdagingen, zoals migratie, belabberde luchtkwaliteit of internationale criminaliteit. Steden implementeren niet enkel het beleid van de Europese Unie, ze beheren ook het leeuwendeel van publieke investeringen en zijn voor hun inwoners vaak het ‘echte gezicht van de overheid’.

In zijn indrukwekkende boek ‘If Mayors Ruled the World’ schreef de inmiddels helaas overleden Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber het al met veel overtuiging: veel meer dan nationale regeringsleiders worden burgemeesters geconfronteerd met de gevolgen van een geglobaliseerde wereld en zijn zij het die op het terrein oplossingen aanreiken. Dat zien we in de strijd tegen klimaatverandering waar steden concrete maatregelen nemen om hun inwoners te beschermen, terwijl natiestaten oplossingen eerder afremmen. Steden zijn meer geneigd om in het belang van hun inwoners rekening te houden met de duurzame ontwikkelingsdoelen die de Verenigde Naties hebben uitgewerkt, terwijl nationale regeringen dergelijke doelstellingen vaak hinderlijk vinden.

Terwijl natiestaten elkaar het leven zuur maken door concurrentie op te drijven, asielzoekers naar elkaar door te schuiven, een sociale race to the bottom te organiseren en fiscale cadeaus uit te delen om toch maar bedrijven aan te trekken, vormen steden spontaan solidaire netwerken. Ze wisselen best practices uit, leren van elkaar en ondersteunen elkaar in initiatieven zoals Eurocities, the Covenant of Mayors, het Urban Development Network, European Green Capital of het Global Parliament of Mayors.

Steden zijn goed geplaatst om een vinger in de pap te hebben in het Europees beleid. Ze kunnen uiterst waardevolle expertise leveren bij de totstandkoming van nieuwe Europese wetgeving. Bovendien bieden ze de Europese Unie ‘nabijheid’, omdat ze dicht bij de bevolking staan en heel goed de noden van Europese burgers kennen. Net die ‘nabijheid’ mist de Unie. De stad en de Unie zijn daarom ideale partners. Om die reden stelt het parlement niet enkel voor om steden formeel te betrekken bij het beleid, maar ook om de Unie als het ware naar de steden te brengen en jaarlijks burgerdebatten te organiseren in twee steden van elke lidstaat - en niet in de hoofdstad. Een hechtere samenwerking tussen steden en de Europese Unie zou wel eens een game changer kunnen zijn, zowel voor het Europese beleid als voor de belangrijke rol die steden kunnen spelen om een veel inclusievere en socialere Unie vorm te geven. Het is nu aan de Commissie en aan de Raad om steden die belangrijke input in het Europese beleid ook te gunnen en steden een volwaardige partner te laten zijn in het Europese beleid.