All politics is local. Maar lokale samenlevingen overal ter wereld leven en pulseren meer dan ooit op Europese en mondiale golven. Het lot van de werknemer van Opel wordt mee in Detroit bepaald.

De toekomst van onze nutsvoorzieningen is mee afhankelijk van de politieke discussie in Europa. De veiligheid van de Europeaan én de toekomst van een Afghaans kind zijn met elkaar verbonden door de geopolitieke keuzes die in Washington, Londen en/of Brussel worden gemaakt. Net zoals het bruto nationaal geluk mee afhangt van de kansen op een menswaardig leven die mensen aan de andere kant van de wereld krijgen. De sinds 1989 en 9/11 zo radicaal gewijzigde mondiale context noopt tot een herijking van de concepten internationale vrede en solidariteit. sp.a loopt voorop in dat proces. We mogen de wereld niet loslaten: de welvaartstaat en het sociaal model waar we thuis voor ijveren, moeten we ook mondiaal exporteren. Met de Karel Van Miert-lezingen versterken we een lange traditie van internationale, socialistische actie.  

Door CAROLINE GENNEZ en DIRK VAN DER MAELEN

Meer dan eens is de afgelopen twintig jaar het einde van de lokale (nationale) politiek afgekondigd. De analyse is bekend: de macht verschuift van binnenlandse naar buitenlandse politieke instellingen, van de politiek naar de economie, van nationale economische centra naar de hoofdkwartieren van multinationals. Ook in de Klimaattop van Kopenhagen vorig jaar in december zagen velen het failliet van het primaat van de politiek. Kopenhagen had een wake up call moeten worden. Het werd een historisch gemiste kans. Maar het toonde wel nog maar eens schrijnend aan dat een grens- en ook tijdsoverschrijdend probleem zoals de klimaatopwarming schreeuwt om sterke internationale politieke actie.

Ook de economische en financiële crisis van het afgelopen anderhalf jaar scherpt die nood weer aan. De leiders van de Europese Unie en de G20 erkenden, weliswaar rijkelijk laat, de noodzaak om het financiële verkeer te onderwerpen aan internationale controlemechanismen. Maar meer, véél meer, is nodig om wereldwijd structurele motoren van oude en nieuwe ongelijkheden, zoals het casinokapitalisme, en scheefgetrokken machtsverhoudingen aan te pakken.

Ook het sociale Europa heeft nood aan een sterke(re) interventiepolitiek. Er dringt zich een nieuwe standaard op om het welvaarts- en welzijnsniveau te meten. Te veel Europese burgers vallen nu, ondanks relatieve welvaart volgens oude bnp-parameters, toch uit de boot. En gemeenschapsvoorzieningen staan overal in Europa onder zware druk van privatisering en liberalisering. De Europese burger voelt dat ook aan en, het moet gezegd, verwacht niet bijzonder veel heil van de Europese politiek, tragisch genoeg vaak nog minder van linkse dan van centrum-rechtse en populistische partijen.

“Onderzoek leert dat Europese burgers niet verwachten dat hun levensstandaard in de toekomst zal verbeteren”, zo blijkt uit een recent EPC paper (*). “Terwijl de Europese Unie zijn sociale agenda herdefinieert en de opvolging van de Lissabon strategie voorbereidt, rijst de vraag of beleidsmakers er zullen in slagen om een geloofwaardige visie te ontwikkelen als antwoord op de uitdaging om het welzijn van de Europese burgers te verbeteren?”

Samengevat, er is enerzijds een onmiskenbare nood aan een krachtig, internationaal politiek ageren. Anderzijds botst dat inzicht op defaitistische analyses over de onmacht van de politiek, a fortiori de nationale politiek. Dat geloof heeft geleid tot een vorm van capitulatie. Overal in Europa hebben nationale politieke partijen zich grotendeels teruggeplooid op de wereld direct bij de deur. Overal zijn directe electorale belangen in de achtertuin zwaarder gaan wegen dan een internationale agenda.

SOLIDARITEIT, THUIS EN ELDERS

Voor socialistische partijen, gegroeid uit een internationale gedachte, is dat onaanvaardbaar. Op een moment dat de wereld rondom ons een sterke internationale politiek vergt, hebben de meeste sociaal-democratische partijen het bijzonder lastig. Rik Coolsaet noemt de situatie van de sociaal-democratie in de verschillende landen “dramatisch” (sampol 2009/10). Hij verwijst naar de Duitse SPD, traditioneel een sterkhouder binnen de Europese socialistische familie, die nu op een historisch laag electoraal peil staat. “Als je weet welke rol de SPD in het verleden gespeeld heeft, zowel in Duitsland als in de internationale socialistische beweging, dan is het normaal dat je op een punt komt waarop je jezelf in vraag moet stellen.”

Ook sp.a moet in eigen boezem durven te kijken. Hoewel we de internationele kijk nooit verleerd hebben en zeker in de PES een actieve rol zijn blijven spelen, is het in ons dagelijks politiek werk van het afgelopen decennium naar de marge verschoven. Het is geleden van de jaren negentig dat we met drie ministers op Buitenlandse Zaken (Willy Claes, Frank Vandenbroucke en Erik Derycke) de Belgische buitenlandpolitiek domineerden.

In de schoot van de PES blijven we ijveren voor afdwingbare sociale doelstellingen. Vrijwillige afspraken zoals ze zijn gemaakt in het kader van het Lissabon-proces, volstaan niet. Zoals Saïd El Khadraoui, internationaal secretaris van sp.a, zei: “Net zoals de EU vandaag strenge milieu- en economische inspanningen vraagt van haar lidstaten, moet ze dat kunnen op het sociale vlak.”

Hiervoor is a fortiori van socialistische partijen een gemeenschappelijke politiek nodig die een gecoördineerde strijd voert voor een eerlijker samenleving op binnen- en buitenlands niveau. We mogen niet de fout maken die sommige linkse zweeppartijen, zoals het Nederlandse SP, hebben begaan door solidariteit moedwillig eng en zelfs nationalistisch te interpreteren. Ook hebben sommige linkse partijen door het onvermogen om met diversiteit in een geglobaliseerde wereld om te gaan, schrik gekregen van hun eigen schaduw. Ze lieten zich opjagen door het appel dat in de meeste Europese landen op de traditionele achterban van linkse partijen is uitgegaan van uiterst rechtse zweeppartijen zoals bij ons het Vlaams Belang.   

sp.a wil het en/en-verhaal herstellen, want het gaat hier –in de woorden van Coolsaet – om “schijnbaar tegengestelde bewegingen”. Solidariteit thuis is onlosmakelijk verbonden met solidariteit in de wereld. Of omgekeerd gesteld: ongelijkheid in de wereld heeft een directe impact op (on)gelijke kansen thuis.

We willen ons binnenlands verhaal exporteren. Het internationale is geen extraatje dat achteraf komt: het is onlosmakelijk verbonden met de strijd die we ook in eigen land voeren voor een gedegen sociale bescherming (goede en gewaarborgde pensioenen en toegankelijke, betaalbare gezondheidszorg), sterke gemeenschapsvoorzieningen (onderwijs, energie…) waarvan de overheid de hefbomen nooit uit handen mag geven, en een eerlijke herverdeling van welvaart en welzijn. We willen de toekomst van de mensen hier en elders veiligstellen, omdat sociale (on)gelijkheid hier en elders communicerende vaten zijn. Het zou bepaald onproductief zijn om ons in België of Vlaanderen te verzetten tegen privatiseringen als we Europa de vrije hand laten of de andere kant opkijken als in Washington of op andere plekken waar de G8 vergadert beslissingen worden genomen die de sociale rechtvaardigheid in de wereld verder ontwrichten.

Dat inzicht is behalve de essentie ook de bestaansreden van het internationalisme waarin een socialistische partij als de onze gegroeid is. Het is een inzicht dat we ook op onze Visie-congressen van de afgelopen jaren onderbouwd hebben met sprekers zoals Sunder Katwala van de Britse progressieve denktank Fabian Society en Richard Wilkinson, auteur van The Spirit Level: Why more equal societies almost always do better. Ook met de Van Miert-lezingen (**), die we dit jaar voor het eerst organiseren, houden we de vinger verder aan de wereldpols. Met die lezingen eren we ook de vorig jaar overleden politicus onder wiens voorzitterschap onze partij meer dan op andere momenten de neus aan het wereldvenster stak. Het is ook onder Van Miert dat de banden met zowel de vredesbeweging als Noord Zuid-organisaties het sterkst waren. Zoals uit het onderstaande zal blijken zijn onze banden met die organisaties met wie we een verhaal delen, door de jaren heen soms losser geweest, maar ze werden nooit helemaal verbroken. Het is zaak ze te vernieuwen en weer verder te versterken.
         
We moeten terug aanknopen met die sterke internationale traditie, maar die meteen ook op een nieuwe leest schoeien. De wereld is de afgelopen twintig jaar drastisch veranderd. De val van de Muur, 9/11, de globale economische en financiële crisis en de klimaatopwarming: het is onmogelijk om een asiel- of migratiebeleid of een binnenlands arbeidsmarkt- en milieubeleid uit te tekenen dat geen rekening houdt met die permanent in beweging blijvende mondiale puzzel. Het is zaak om die puzzel mee vorm te geven, eerder dan de impact ervan ‘thuis’ te ondergaan.

KAMERADEN TEGEN ELKAAR

Op het einde van elk congres van sp.a en andere PES-partijen weerklinkt nog altijd de Internationale. Maar laat ons eerlijk zijn: internationaal hebben de socialisten de afgelopen jaren enkele valse noten geblazen.     Europees hadden we, met een jarenlang numeriek overwicht in de Europees politieke cenakels, meer uit de brand kunnen slepen om naast een economisch en monetair Europa ook een sociaal Europa in de steigers te zetten. Er zijn overwinningen geboekt, heel zeker: zonder socialistische tegenmacht in Europa zou de richtlijn Bolkestein over de liberalisering van gemeenschapsvoorzieningen veel meer schade hebben berrokkend. Toch hebben socialisten in Europa al te vaak in het defensief gespeeld. We komen verder op dit falen terug (zie Noord Zuid, Thuis Best).

Een tweede valse noot is aangericht door de steun van Tony Blair aan de oorlogsvoering van de VS in Irak en Afghanistan. Dat heeft het internationaal socialisme ernstige schade toegebracht. Het roept herinneringen op aan de Eerste Wereldoorlog. Ook toen werd het internationale pacifisme van de socialisten duchtig op de proef gesteld. Het brak het elan dat onder meer was gegroeid door de ‘War on War’-campagne van de socialistische partijen in Europa, waarin Edward Anseele, Emile Van der Velde en Camille Huysmans een vooraanstaande rol speelden. De organisatie bracht honderdduizenden mensen op de been. Eén van de hoogtepunten was de bijeenkomst in Bazel in november 1912, waar Jean Jaurès zijn beroemde toespraak hield waarin hij onderstreepte dat de Internationale een centrale rol binnen het vredesactivisme moest spelen. Nog in juni 1914 was er een bijeenkomst in Brussel met onder meer Leon Trotsky, Karl Kautsky en Rosa Luxemburg, maar de bevlogen taal kon niet verhinderen dat het ultrapatriottisme ook bij de arbeiders veld won.

Op 31 juli 1914 werd Jaurès neergekogeld. Met de moord op Franz-Ferdinand kon ook de Oostenrijkse socialistische partij zijn pacifistisch standpunt moeilijk volhouden. In Duitsland had Friedrich Ebert de leiding overgenomen en de radicale pacifisten in de marge geduwd. In de Reichstag stemden de socialisten uiteindelijk mee de oorlogskredieten omdat ze “in deze uren van gevaar het vaderland niet (willen) verraden”. Op 31 juli werd Jaurès neergekogeld. Zelfs tijdens de oorlog waren er nog pogingen om de oorlogsmachine te stoppen, onder meer in Stockholm met Camille Huysmans in een hoofdrol. Ook waren er de door de Duitse socialist Ernst Toller geleide stakingen in de Duitse munitiefabrieken. Het kon allemaal niet beletten dat de kameraden elkaar met bajonetten de darmen uit het lijf staken.

Na WO I waarde er aanvankelijk een pacifistische wind door het socialisme, onder meer met de oprichting van War Resistance International en de beweging van het Gebroken Geweer. Maar het Belgische socialisme kreeg het in het interbellum almaar lastiger om die pacifistische geest te vrijwaren. De crisis van de jaren dertig drong de Belgische Werkliedenpartij (BWP) in het defensief. Het bleek onmogelijk om een brug te slaan met pacifistische elementen in de christelijke en/of Vlaamse beweging. Ook met de communisten bleek een gemeenschappelijke pacifistische sokkel onmogelijk, al zeker na het niet-aanvalspact tussen Rusland en Nazi-Duitsland. Maar de BWP maakte ook zelf fouten: Hendrik De Man bleef het nazisme zien als een ‘koortsaanval’ en de Belgische regering, onder impuls van minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak, erkende de fascistische regering in Burgos nog voor Madrid was gevallen.

Het einde van de oorlog smeedde niet meteen weer banden tussen het socialisme en de vredesbeweging. Dankbaarheid ten aanzien van de Amerikaanse bevrijders leidde mee tot het zich inschrijven in het koude oorlogsdenken. Pas vanaf de jaren zestig werd er opnieuw aandacht besteed aan de vredesproblematiek, onder meer met het verzet tegen de wapenwedloop en de oorlogen in Cambodja en Vietnam. Dit protest werd evenwel niet belichaamd door de partijtop: het waren vooral jongeren en vakbondcentrales die er de organisatorische ruggengraat voor leverden.        

Het was wachten op een nieuwe generatie, die van Karel Van Miert, voor er opnieuw een logische link werd gelegd tussen socialistische partij en vredesbeweging. In het verzet tegen de plaatsing van de Cruise- en Pershingraketten groeiden beide bewegingen naar elkaar toe. De band met Vaka was voor iedereen zichtbaar en werd door de kiezers zeker niet afgestraft. Integendeel, de partij leek mede door het terug aanknopen bij het pacifisme een nieuwe adem te vinden. Op de revers van socialisten misstond het Gebroken Geweer niet naast de roos.

Maar hoe zit het vandaag? Sp.a noch PS, en mee onder hun invloed de hele Belgische (paarse) regering, hebben het oorlogspad van Tony Blair gevolgd. In maart 2003 stapten socialisten in Brussel weer zij aan zij met vredesactivisten van diverse pluimage tegen de oorlog in Irak. Sp.a trok ook mee aan de kar in de strijd voor een internationaal verbod op landmijnen, clusterbommen en wapens met verrijkt uranium.

Dat dit toch niet tot een hernieuwde automatische associatie tussen sp.a en de vredesbeweging leidt, heeft evenwel niet zozeer met een tanend pacifisme in sp.a te maken als wel met evoluties in de vredesbeweging zelf. De conflictsituaties in de wereld van na 9/11, en al vroeger: met de oorlogen op de Balkan en de eerste Golfoorlog, zijn complexer dan ten tijde van de Koude Oorlog en in diverse conflicten vertonen de meningen ook binnen de vredesbeweging meer schakeringen. De gemengde reacties op de Nobelprijs  voor de Vrede voor Barack Obama illustreren dat. De strijd tegen de kernwapens –pro of contra- was overzichtelijker en smeedde automatisch een hechter en zichtbaar front.

Met andere woorden, de gewijzigde mondiale context brengt ook nieuwe paradigma’s voor de vredesbeweging met zich mee. Sp.a heeft de weg van het pacifisme niet verlaten, maar we zouden er een nog actievere rol moeten in spelen.

NOORD ZUID, THUIS BEST

Meer vrede en veiligheid voor meer mensen overal ter wereld is onlosmakelijk verbonden met de graad van sociale rechtvaardigheid, gelijke kansen en een eerlijker verdeling van welvaart en welzijn. Meer dan 1 op 6 aardebewoners moet het bij het begin van de 21ste eeuw met minder stellen dan de internationale armoedegrens (1 dollar of 0,80 eu per dag). In Europa leven 80 miljoen burgers (16 procent van de bevolking) onder de armoedegrens. In 2008 verliet 15 procent van de jongeren in Europa tussen 18 en 24 jaar de school zonder diploma. 89 procent van de Europese burgers zegt in een recent uitgevoerde Eurostat-enquête van hun regeringen “dringende actie” tegen sociale ongelijkheid te verwachten. Die naakte parameters volstaan om de noodzaak van meer socialisme op internationale schaal te bepleiten.

Waar stond en staat sp.a in die strijd voor meer wereldwijde sociale gelijkheid? Hebben we de rol gelost? Klopt de kritiek dat ook wij, Vlaamse sociaal-democraten, al te onkritisch de vrije markteconomie hebben omarmd? Dat we ons in het voorbije decennium al te blind hebben laten leiden door het geloof in de actieve welvaartstaat, waardoor we grote groepen mensen -de ‘onrendabelen’, zoals gewezen PvdA’er Marcel Van Dam ze recent wrang ironisch noemde- en nieuwe ongelijkheden uit het oog zijn verloren?

Hogerop sloegen we al een mea culpa voor de steken die de sociaal-democratie in de vormgeving van het sociale Europa heeft laten vallen. In een recente publicatie over de nood aan vernieuwing van de Europese sociaal-democratie poneert de top van het invloedrijke Britse Policy Network dat socialisten er niet in geslaagd zijn om “duidelijke antwoorden op de crisis” te formuleren. Meer, “de wortel van het probleem is dat de crisis het ideologisch vacuüm van de Europese sociaal-democratie heeft blootgelegd” (***). Lijkt de mondiale financiële crisis op het eerste gezicht het failliet van liberale ideologieën te bewijzen, het leidt niet tot een toegenomen vertrouwen van de kiezers in het socialisme als borg voor een sociaal rechtvaardiger toekomst. “De ironie is dat zowel bankiers als links verzwakt uit de crisis lijken te komen”. 

In 21 van de 27 Europese lidstaten bleven socialistische partijen bij de jongste Europese verkiezingen (juni 2009) onder het resultaat van centrum-rechtse partijen. Crisissen leiden tot onbehagen en onzekerheid en verhogen de hunker naar protectionisme en sociaal conservatisme: partijen die de kiezer een striktere sociale orde en stabiliteit voorspiegelen, spinnen daar garen bij. Ook partijen die de illusie van eenvoudige oplossingen voeden, varen er wel bij, zoals het succes van populistische politici in heel Europa bewijst. Het is een bevreemdende paradoks, te meer omdat uit onderzoek blijkt dat samenlevingen met een hoge graad van sociale gelijkheid het op alle mogelijke manieren (welzijn, mensenrechten, onderwijs...) beter doen (****).

Policy Network schrijft de crisis van de Europese sociaal-democratie niet alleen toe aan de halfhartige attitude tegenover de markteconomie, ook aan schaalverkleining. “Na de Tweede Wereldoorlog organiseerde de sociaal-democratie zich meer op de schaal van natiestaten, waarbij nationale solidariteit uiteindelijk primeerde op internationale klassesolidariteit.” De komst van een nieuwe, open wereldorde sinds 1989 en de Europese en globale schaalvergroting drongen de diverse sociaal-democratische partijen op die manier in een defensieve en protectionistische rol.

De sociaal-democratie in België vormde geen uitzondering op die evoluties. Tot diep in de jaren zestig waren de Belgische socialisten dermate verregaand geïntegreerd in het Belgische bestel dat er voor internationale linkse solidariteit amper plaats was. Onze dubbelzinnige relatie tot de Belgische koloniale politiek illustreert dat. Zoals historicus Guy Vanthemsche (VUB) schreef: “...wie bij de Belgische socialisten een glorieuze strijd verwacht tegen koloniale onderdrukking komt bedrogen uit”. Socialisten kozen eerder voor sociale rust en orde thuis dan voor solidariteit met de onderdrukte bevolking in het verre Congo. In volle Koude Oorlog zat de BSP inzake de Congo-politiek op de Atlantische lijn. Ontwikkelingssamenwerking werd gezien als een verlengstuk van Belgische belangen én als middel om Mobutu in het zadel te houden. Meer zelfs, topmensen als Edmond Leburton koppelden hun electorale belangen, de economische expansie van ACEC (in zijn kieskring) aan het financieren van witte olifanten zoals de Inga-stuwdam, die meteen ook prestige verleenden aan le président-fondateur. Tijdens de Congolese onafhankelijkheidsstrijd waren de Belgische socialisten vooral begaan met hun binnenlands imago: ze wilden vermijden in eigen land mee verantwoordelijk te worden gesteld voor rellen of gebrandmerkt te zullen worden als diegenen die mee ‘het verlies van de kolonie’ hadden veroorzaakt. Zoals Jos Van Eynde uitriep op het partijbureau: “Congo mag ons niet meeslepen in een Belgische politieke crisis”. Eerder dan blijk te geven van een diepgaande Noord-Zuid-bekommernis, bleken socialisten gedurende heel die periode vooral behept met een ‘oost west thuis best’-mentaliteit.

De koloniale geschiedenis heeft meegespeeld in de verwijdering tussen de Vlaamse en Waalse vleugel van de BSP. Het Congo-hoofdstuk moest eerst worden uitgezweet voor er met name aan Vlaamse socialistische kant energie vrijkwam voor een (her)opleving van de internationale solidariteitsgedachte.

Ook hier was het wachten op de generatiewissel van begin de jaren zeventig, met de komst van de zogenaamde Jonge Turken, voor er meer nadruk kwam op de internationale dimensie en de Noord-Zuidproblematiek. Dit ging trouwens hand in hand met de hoger beschreven aanscherping van de pacifistische traditie. Het werd samengevat in de slogan “Samen sterk voor vrede en werk”.

Toen ook pikte de partij, met enige vertraging, een aantal thema’s op die na 1968 prominent aanwezig waren bij menige actiegroep en solidariteitsbeweging. Net zoals het socialisme toen een hele periode mee in de bedding van de vredesbeweging begon te vloeien, zien we in die jaren ook een nauwere associatie tussen de partij en de Noord-Zuidbeweging.

In de vroege jaren negentig leek het tij gekeerd. De SP kreeg toen met Erik Derycke voor het eerst, en ook het laatst, de portefeuille van ontwikkelingssamenwerking in handen en sprong daar niet mee om als was het een ‘troostprijs’. De ministers van Buitenlandse Zaken die de SP in de jaren 1988-1999 leverde, markeerden ook een kantelmoment in de Belgische Afrikapolitiek, al werd dit beleid en de herwonnen socialistische belangstelling voor de Noord-Zuidproblematiek dan weer danig gefrustreerd door de Rwandese genocide van 1994.

De diepgewortelde internationale solidariteitsgedachte sprak ook uit Het Sienjaal van Norbert De Batselier en Maurits Coppieters: “Wij moeten de schandelijke ongelijkheden terugdringen. Daarom is een inhaalbeweging noodzakelijk voor die streken en bevolkingsgroepen in de wereld die het hardst hebben te lijden onder de door het kapitaal gedomineerde wereldcompetitie.”

Het vervolg levert, in lijn met de malaise van de Europese sociaal-democratie die door het hoger geciteerde Policy Network wordt beschreven, opnieuw een diffuser beeld op. Overal in Europa bleken socialistische partijen geen pasklaar antwoord te hebben op het zich verder globaliserende marktdenken. We bleken collectief ondergesneeuwd te geraken door het neo-liberale discours, etaleerden onmacht tegenover de opkomst van een nieuwe drievuldigheid: markt-derugalisering-nachtwakerstaat (zo weinig mogelijk bemoeienis van de overheid).

Op z’n minst werd de indruk gewekt dat ook sp.a, net zoals andere socialistische partijen in Europa, kritiekloos meestapte in het geloof dat economische groei wel automatisch tot een eerlijker verdeling van welvaart en welzijn en meer sociaal rechtvaardigheid zou leiden. In dat vacuüm waarin menige Europese socialistische partij terechtkwam, groeide het appel van linkse zweeppartijen die kwamen aandraven met recepten uit het verleden.

Tegelijk heeft sp.a niet nagelaten om vanuit de Belgische politieke cenakels te wegen op een Europees en internationaal socialer beleid. In 2003 stelde sp.a bij de regeringsvorming van Verhofstadt II voor om te komen tot een oprichting van “een observatorium voor globalisering”. We wilden politici, academici, ngo’s en andere middenveldspelers verzamelen om de vele facetten van nieuwe mondiale evoluties beter te vatten en er het Belgische beleid ook beter op af te stemmen. We stootten toen op liberaal verzet. Het idee werd afgezwakt tot de oprichting van een parlementaire commissie globalisering. Toch zetten we vanuit die commissie, en nog voor het uitbreken van de financiële crisis, de Tobintaks op de agenda en formuleerden we concrete voorstellen voor de aanpak van fiscale paradijzen. Ook ijverden we van daaruit voor betere internationale arbeids- en milieunormen. Dezelfde standpunten zijn we doorheen de jaren ook blijven verdedigen in de schoot van de PES.

CONCLUSIE

Is er zeker geen reden om te stellen dat sp.a op internationaal niveau geabdiceerd heeft, wel is waar dat we ooit -zij het in heel andere, zeg maar: pre-1989 tijden- prominenter een maatschappelijke bedding hebben gedeeld met vredes- en internationale solidariteitsbewegingen.

De nieuwe wereld sinds 1989 en 9/11 noopt ons om als socialistische partij nieuwe bondgenootschappen te smeden, met oude en nieuwe sociale bewegingen. De neergang van oude economieën en de opkomst van nieuwe groeieconomieën, de financiële en economische crisisgolven, de ecologische en sociale gevolgen van klimaatopwarming en de permanent wijzigende kaart van geopolitieke verhoudingen moeten tot een herijking leiden van zowel de vredesgedachte als de internationale solidariteit. Voor al die evoluties geldt evenwel wat Rik Coolsaet zegt: “Socialisten moeten het probleem bekijken door de bril die hen altijd al heeft gepast, dat is de bril die ongelijkheid ziet.”

Niet alleen socialistische partijen, ook vakbonden en ngo’s moeten elk voor zich nieuwe oriëntaties zoeken. Maar belangrijk is dat we uit die herbronning tot een vernieuwd en versterkt gemeenschappelijk front komen van politiek-maatschappelijke krachten die, ondanks de gewijzigde omstandigheden, trouw blijven aan die ene gedeelde basisgedachte (meer dan een gedachte, een waardenkader): vrede en veiligheid gaan samen met een beter mondiaal verdeelde sociale rechtvaardigheid, eerlijker Noord-Zuidverhoudingen, striktere sociale en ecologische regels voor de markteconomie.

Bovenal moeten we onze binnenlandse strijd voor een sociaal rechtvaardiger samenleving met een goede sociale bescherming en stevig uitgebouwde gemeenschapsvoorzieningen ook internationaal blijven kaderen. Je kunt de toekomst van mensen in eigen land niet veiligstellen door de sociale ongelijkheid elders in de wereld te negeren. Sp.a moet zijn rol in de strijd voor de concretisering van dat waardenkader zichtbaarder op zich nemen. Zowel in de politieke fora waar we aanwezig zijn (Europees parlement, PES, in bilaterale contacten met Labour, PSOE en PvdA,...), als in de civiele samenleving. We werken verder aan onze antennes in een resem aan organisaties die over landsgrenzen heen werken aan een rechtvaardiger wereld, gaande van de internationale vakvereniging tot de vredesbeweging en de vele ngo’s die de sociale en ecologische strijd op een hoger niveau trachten te tillen. We hebben die inzichten in huis en we nodigen op onze congressen al jarenlang derde wereldorganisaties uit om die boodschap van mondiale rechtvaardigheid ook mee vorm te geven. Die traditie zullen we verderzetten.

Nieuwe bondgenootschappen zullen nodig zijn willen we mee vorm kunnen geven aan het antwoord op wat Policy Network “de belangrijkste intellectuele uitdaging” noemt “waar de crisis de Europese sociaal-democratie voor plaatst”: “sociaal-democraten (...) moeten werken aan een slagvaardiger, strategische overheid die kan sturen en interveniëren in de complexer wordende netwerken en instellingen van een geglobaliseerde economie en samenleving.”

NOTEN

(*) “What do citizens want? Well-being measurement and its importance for European social policy-making”, EPC Issue Paper No.59 December 2009

(**) De eerste lazing vindt plaats op 9 februari 2010, met als sprekers: Ignacio Ramonet, directeur van Le Monde diplomatique en medeoprichter van het Wereld Sociaal Forum, Guy Ryder, algemeen secretaris van de internationale conferentie van vakbonden (ICFTU) en Gie Goris (hoofdredacteur Mo*).

(***) Olaf Cramme, Patrick Diamond en Roger Liddle, “Challenging the politics of evasion.  The only way to renew European social democracy”, Policy Network, 2009. Een paper dat meteen ook de aftrap geeft van The Amsterdam Process, waarbij een ‘avant-garde groep’ van individuen en organisaties uit heel Europa een jaar lang strategisch denkwerk zal leveren voor de ideologische vernieuwing van de Europese sociaal-democratie. Een organisatie van Policy Network en de Wiardi Beckman Stichting.

(****) Zie onder meer Richard Wilkinson en Kate Pickett, ‘The Spirit Level: Why more equal societies almost always do better’, Allen Lane, 2009