De wachtlijsten in de zorg geraken niet weggewerkt, verplegers hebben nauwelijks nog de tijd om ‘dag’ te zeggen, een gips heb je in enkele uren als je je arm breekt, terwijl jongeren pas na maanden hulp krijgen als ze overwegen uit het leven te stappen... Karin Jiroflée en Hannelore Goeman gaan poolshoogte nemen in de zorgsector en brengen hier de volgende weken verslag uit van hun ervaringen.


Toen het idee rijpte om stage te lopen bij mensen die in zorgsector werken, was ik meteen enthousiast. Zo houden we de vinger aan de pols. Ik besloot te beginnen bij de basis, bij de huisarts. Voor de meeste mensen is de huisarts het eerste aanspreekpunt voor al hun gezondheidsvragen. De dokter kent zijn patiënten, hun omgeving, hun gezin en verwijst hen door naar andere zorgverleners. Hij is de centrale spin in het zorgweb. Artsen bouwen een band op met hun patiënten en hebben dus ook een goed inzicht in hun zorgbehoeftes. 

Met @HanneloreGoeman in het spoor van dokter Ann, de spin in het zorgweb


Op een regenachtige morgen klop ik aan bij dokter Ann Roex in Anderlecht. Ze startte 20 jaar geleden als huisarts in de praktijk van haar vader. Steeds meer Anderlechtenaren vonden de weg naar ‘Helix’ en de praktijk breidde uit. Momenteel werken er drie huisartsen en één psycholoog. Om de patiënten nog beter te kunnen bijstaan, hebben verschillende dokterspraktijken zich verenigd in een Anderlechts netwerk. Hierdoor kunnen ze een wachtdienst organiseren, hun administratie vereenvoudigen en kennis uitwisselen rond patiëntendossiers.


Ann is een huisarts in hart en nieren, dat voel je meteen. Ze vertelt vol passie over haar werk: “Ik zie een enorme variatie aan gezondheidsproblemen. Telkens weer moet ik mijn volledige medische kennis inzetten om mensen te kunnen helpen. Elke dag is verschillend. Ik kan ‘s morgens nooit voorspellen hoe de dag eruit zal zien. Dat maakt het een heel uitdagende job”. Die verscheidenheid is volgens haar  “typisch aan werken in Brussel”. 


Het valt mij op hoeveel belang Ann hecht aan samenwerken met andere dokters en zorgverstrekkers. “Absoluut”, bevestigt ze. “Medische kennis over patiënten delen met andere dokters werkt verhelderend en zorgt voor zorg op maat. Ook met de psycholoog en de vaste thuisverpleger werken we hecht samen, om onze patiënten de meest geschikte behandelingen te kunnen geven.”


Omdat huisartsen het eerste en meest stabiele zorgcontact zijn een grote groep mensen, krijgen ze steeds meer vragen van de overheid om mee te werken aan campagnes die mensen bewust maken van gezondheidsrisico’s. Ann geeft mij een voorbeeld: “Het is belangrijk dat we allemaal meer gaan bewegen en sporten. De overheid wil dit stimuleren en schakelt hiervoor ook de huisartsen: er wordt ons gevraagd om concrete tips te geven over hoe meer bewegen en mensen door te verwijzen naar de juiste plaatsen. Prima, alleen betekent dit dat huisartsen zich moeten inwerken in de materie. Dit vraagt tijd en energie, en ons bakje is al behoorlijk vol.


Ann ziet veel uitdagingen in het Brussels gezondheidsbeleid, maar één springt er met kop en schouders bovenuit: we moeten de Brusselaars meer gezondheidsvaardigheden bijbrengen. Ze licht toe: “Ik zie in mijn praktijk vaak patiënten te weinig weten over gezondheid en hoe ze moeten omgaan met ziekte. Dat gaat over het correct nemen van geneesmiddelen, afspraken maken met specialisten, het juist interpreteren van hulp. Dit probleem zich stelt bij alle lagen van de bevolking en is fel onderschat. Behandelingen lopen fout omdat er te veel ruis zit op de communicatie tussen patiënt en zorgverstrekker”. 


Ter illustratie vertelt ze me enkele schrijnende verhalen. Het is duidelijk: we moeten dringend werk maken van een betere gezondheidseducatie in Brussel. Meteen een erg bruikbare insteek die ik kan meenemen naar het parlement.