Het decreet Integrale Jeugdhulp is nu één jaar oud. Om een eerste evaluatie te kunnen maken, vroeg en kreeg Freya Van den Bossche (sp.a) een reeks hoorzittingen in de commissie Welzijn van het Vlaams Parlement. Het zijn immers de mensen die elke dag op het terrein werken die het best kunnen inschatten wat werkt en wat niet werkt aan het decreet Integrale Jeugdhulp. Uit die hoorzittingen distilleerde sp.a de belangrijkste knelpunten uit het decreet die nodig geremedieerd moeten worden. Want al staat iedereen achter de doelstellingen van het decreet, in de praktijk blijkt lang niet alles naar wens te lopen…

Dit is maar een eerste aanzet. sp.a gaat ook de boer op, en organiseert doorheen heel Vlaanderen een reeks rondetafels met hulpverleners, experts, en andere geïnteresseerden, maar vooral met de kinderen en jongeren en hun gezin die effectief met integrale jeugdhulp in aanraking komen. Zij moeten de belangrijkste stem krijgen, maar hebben het nu erg moeilijk om gehoord te worden. Het is met hen dat we samen naar oplossingen willen zoeken voor de aanhoudende problemen in de integrale jeugdhulp. Iedereen kan zich via de website jongzijn.be inschrijven om deel te nemen aan deze ronde.

Uit de hoorzittingen kwamen alvast de volgende knelpunten naar voren, die dringend aangepakt moeten worden. Bijgevoegd steeds enkele citaten van sprekers op de hoorzittingen die het probleem illustreren.

1. Werk wachtlijsten weg: Registreer elke zorgvraag, en voorzie het nodige budget om aan die zorgvragen tegemoet te komen

Alleen door elke zorgvraag effectief te registreren kan Vlaanderen weten welke hulp waar nodig is, en zijn beleid hierop afstemmen. Op dit moment is er een gebrekkig tot geen zicht op de wachtlijsten en wachttijden in de integrale jeugdhulp, wat het onmogelijk maakt te weten wat de werkelijke noden zijn en waar hoeveel geïnvesteerd moet worden. Het Vlaams beleid vaart blind.

  • Eric Buelens: “Insisto geeft geen zicht op het aantal wachtenden in de rechtstreeks toegankelijke hulp. Kennis van de noden is een belangrijk element voor het toewijzen van middelen. De retoriek is dat er in de rechtstreeks toegankelijke hulp geen wachtlijsten mogen zijn. In de praktijk is dat niet zo. Er zijn duizenden wachtenden op rechtstreeks toegankelijke hulp. Die mensen hebben minstens recht op de registratie van hun hulpvraag. De hulpvragen dreigen te verdwijnen. Dat is verontrustend.” 
  • CLB's: “Ook voor de poort zijn er wachtlijsten, waar niemand zicht op heeft.” 

Voorzie een budgettair groeipad zodat aan elke zorgvraag tegemoet gekomen kan worden. Te veel kinderen en jongeren die in principe geholpen kunnen worden, blijven nu met hun hulpvraag in de kou staan omdat er voor hen geen geld vrijgemaakt wordt. Alsof tegen een kind met een gebroken been die op spoed aankomt gezegd wordt: Sorry, maar jou kunnen we niet meer helpen, want we mochten dit jaar maar 50 kinderen met een gebroken been helpen, en jij bent nummer 51. Elk kind en elke jongere met een zorgnood moet geholpen worden. Punt. Vergroot dus het aanbod aan jeugdhulp: zolang de wachttijden in de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp maanden tot jaren oplopen en zelfs aanmeldingsstops gelden, en het niet-rechtstreeks toegankelijke aanbod overbevraagd is, is elke bijsturing van de jeugdhulp, hoe noodzakelijk ook, morrelen in de marge.

  • CLB’s: “Wij hebben niets aan rechtstreeks toegankelijke hulp die alleen maar op papier rechtstreeks toegankelijk is. Alle voorzieningen die vandaag werken met wachtlijsten […] moeten we beschouwen als niet rechtstreeks toegankelijk.” 
  • Cachet vzw: “Het is niet omdat het rechtstreeks toegankelijke hulp heet, dat ze voor jongeren ook rechtstreeks toegankelijk is.” 
  • Erik Van Dooren: “De dagelijkse ervaring dat de realisatie van dikwijls dringende noodzakelijke hulp maanden op zich laat wachten raakt alle betrokkenen, verhoogt het risico op recidive [bij kindermishandeling] en tast de opgebouwde bereidheid om samen te werken fundamenteel aan. Wachtlijsten vormen een directe bedreiging voor de ontwikkelingskansen en de veiligheid van kinderen en jongeren.” 
  • Erik Van Dooren: “De Vertrouwenscentra Kindermishandeling gaan gebukt onder een veel te zware case-load.”
  • Eric Buelens: “De wachtlijst [bij thuisbegeleidingsdiensten autisme] bedraagt nog altijd drie tot vijf jaar voor laagdrempelige hulp die preventief zou moeten zijn. […] De schaarste in de provincie Antwerpen is immens. Nu wordt met quota gewerkt: er worden zoveel mensen binnengelaten als begeleid kunnen worden. Elk kwartaal stroomt een aantal mensen binnen. De lijnen zijn na tien minuten volledig overbelast en de plaatsen onmiddellijk ingenomen. Dat leidt tot frustraties. Er is geen goede manier om met schaarste om te gaan.” 
  • Didier Moray: “Er staan in mijn instelling [een multifunctioneel centrum voor jongeren met gedrags- en emotionele stoornissen] momenteel 88 kinderen op de wachtlijst. Van die 88 zijn er 18 priors. Die 88 wachtenden moeten tot twee jaar op gepaste ondersteuning wachten.” 
  • Didier Moray: “Er zijn groeiende complexe problematieken waarvan de verwachting is dat VAPH-voorzieningen dit zonder meer aankunnen. Ze kunnen dat met de huidige middelen niet blijven doen. Er is een tekort aan gespecialiseerde centra voor moeilijke doelgroepen. Elke voorziening heeft een kind dat niet kan blijven wegens grensoverschrijdend gedrag of zware agressie.” 
  • Didier Moray: “Met meer middelen hoeven kinderen mogelijks niet meer naar de psychiatrie te worden doorgestuurd.” 
  • CLB’s: “De CLB’s beschikken over onvoldoende mankracht om hun taak naar behoren te vervullen. De werkdruk heeft echter voor een deel ook te maken met frustratie. Hulpverleners weten heel goed welke hulp een bepaalde jongere of een bepaald gezin nodig heeft. Als die hulp niet beschikbaar is, leidt dat tot frustratie. De wachtlijsten, die het gevolg zijn van de tekorten in de hulpverlening, vormen het belangrijkste probleem van de integrale jeugdhulp.”  
  • Patrick Blondé: “Men doet nog steeds niet aan jeugdhulp, wel aan crisismanagement voor de kinderen, jongeren en hun gezin.” 
  • Patrick Blondé: “Waarom een M- of A-document invullen en ouders ondersteunen om intensievere hulp te aanvaarden als de kans dat ze binnen een aanvaardbaar tijdsbestek ook deze hulp kunnen krijgen onbestaande is?” 
  • Patrick Blondé: “Stop met het beheer van schaarste en investeer nu meer dan ooit in extra aanbod jeugdhulp, kinderopvang, armoedeverzachting.” 

Verbeter de crisisjeugdhulpverlening, maar maak ze zoveel mogelijk overbodig. Op dit moment blijven nog veel te veel jongeren zelfs met een erkende acute nood in de kou staan omwille van een gebrekkige capaciteit; een dramatisch voorbeeld hiervan zijn de kinderen die ’s nachts bij gebrek aan beter dan maar in de cel worden gestopt. Maar, vooral, dijk de toevloed aan crisisvragen in door het rechtstreeks toegankelijk aanbod te vergroten en de niet-rechtstreeks toegankelijke hulp te versterken. Wie tijdig geholpen wordt, komt veel minder snel in de crisisjeugdhulp terecht.

  • CLB's: “We begrijpen dat er nood is aan crisisopvang, maar crisisopvang mag niet gebruikt worden om de problemen binnen de hulpverlening op te lossen. Wanneer je een jaar moet wachten op een plek is alles een crisis. Tegelijk zien we het verschijnsel dat crisisjeugdhulp zelf als een toegangspoort begint te werken om daadwerkelijk gespecialiseerde hulp te krijgen. Het versterken van de crisishulp is op dit ogenblik niets anders dan symptoombestrijding.”  
  • Alain Slock: “De functie van het crisisnetwerk is verschoven naar gaten dichten, tekorten opvullen, desnoods carrousels opzetten bij gebrek aan beter. De tekorten aan de andere zijde van de poort zijn duidelijk voelbaar in het crisisnetwerk.” 
  • Patrick Blondé: “Crisishulpverlening was oorspronkelijk een goede keuze, maar is nu een pleister op een houten been voor het niet functioneren van het integrale jeugdhulpsysteem.” 

Enkele cijfers kunnen dit misschien verduidelijken: Bij de thuisbegeleidingsdiensten voor autisme lopen de wachttijden voor adolescenten op tot 5 jaar, en voor kinderen tot 3 jaar. Bij de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg duurt het langer dan drie maanden voor een kind geholpen kan worden. Jongeren met een beperking staan twee jaar lang op de wachtlijst bij een multifunctioneel centrum. Zowel thuisbegeleidingsdiensten als sommige CGG’s hebben een aanmeldingsstop ingevoerd om aan de wachtlijsten het hoofd te kunnen bieden. Wie er dan niet op raakt, heeft natuurlijk pech. 800 kinderen met een dringende en acute hulpvraag konden zelfs in de crisishulp niet geholpen worden, vorig jaar. Dit zijn dramatische situaties.

Om die capaciteitsproblemen op te lossen, is natuurlijk geld nodig. En wachtlijsten zullen niet van vandaag op morgen opgelost raken. Maar zelfs in budgettair moeilijke tijden kunnen extra middelen vrijgemaakt worden voor jeugdhulp - de vorige Vlaamse Regering heeft dit ook bewezen. Tussen 2009 en 2014 steeg het bedrag dat Jongerenwelzijn kon besteden aan de subsidiëring van voorzieningen in wat nu de Integrale Jeugdhulp is van 297 miljoen naar 379 miljoen, of een gemiddelde stijging van het budget met elk jaar 5,5%. Ondanks de nog steeds bestaande grote capaciteitsproblemen in de jeugdhulp, bouwt de nieuwe Vlaamse Regering dit investeringsritme fors af: het budget stijgt in 2015 met maar 1,32% in plaats van 5,5%. Nochtans blijkt dit hogere groeipad hoognodig te zijn om aan de noden te kunnen voldoen.

2. Vereenvoudig de procedures en de regels, en geef hulpverleners het vertrouwen dat ze verdienen

Het kan niet de bedoeling zijn dat jeugdhulpverleners hun dagen moeten vullen met het invullen van een A-document, tijd die ze niet kunnen besteden aan de jongere zelf. Het kan niet de bedoeling zijn dat het oordeel van jeugdhulpverleners die dag in dag uit met de kinderen en jongeren zelf werken telkens opnieuw gevalideerd moet worden door een team indicatiestelling op basis van een papieren document, zonder dat zij de jongere zelf ooit zien of spreken. En het kan niet de bedoeling zijn dat de procedures en de regels ertoe leiden dat niemand nog contactpersoon-aanmelder wil zijn omdat het te tijdrovend is, niet verloond wordt, en te ver afstaat van de jongere zelf. De procedures en regels die gelden binnen de voorzieningen van Jongerenwelzijn en degenen die gelden binnen de voorzieningen van het VAPH moeten ook dringend op elkaar afgestemd worden: Nu kan het bijvoorbeeld gebeuren dat een jongere verhuist van de ene voorziening naar een andere, en plots geconfronteerd wordt met andere regels over betalingen (wat wel en niet aangerekend wordt aan de jongere), wat tot heel wat onbegrip leidt bij de jongere en zijn omgeving, en verwarring bij begeleiders en toewijzers.

  • Erik Van Dooren: “Procedures en structuren vormen het belangrijke en noodzakelijke kader waarbinnen kwaliteitsvolle hulpverlening tot ontwikkeling gebracht kan worden. Momenteel echter lijken procedures en de administratieve vertalingen ervan efficiënte en effectieve hulp net in de weg te staan. Hiermee worden een aantal positieve inhoudelijke veranderingen aangetast.” 
  • Eric Van Dooren: “Er is een te lange doorstroming van dossiers. Verrijkingsvragen lijken ons niet altijd even adequaat en de door ons aangegeven indicatiestelling wordt in vraag gesteld.”  
  • Birgit Roosens: “De cijfers [van de administratie] tonen hoeveel mensen een A-document hebben, maar niet dat tien maatschappelijk assistenten drie uur per document hebben gewerkt om dan een niet-goedgekeurd document terug te krijgen. Ondertussen leven de ouders in stress omdat ze er bijvoorbeeld niet zeker van zijn of hun kind wel in de voorziening kan blijven. De tijd die een maatschappelijk assistent in het A-document steekt, had hij ook in de begeleiding van gezinnen kunnen steken.” 
  • Birgit Roosens: “[Dat ons oordeel door de toegangspoort in vraag wordt gesteld] getuigt van bijzonder weinig respect voor de autonomie en de expertise van een multi-disciplinair team. Als men na heel lange en moeizame trajecten mensen zo ver krijgt dat ze met een visie mee zijn, moet dan een A-document ingevuld en door de integrale toegangspoort raken. Daar wordt alles minutieus nagelezen om het document terug te sturen met de vraag enkele zinnen te herschrijven. Het kan niet de bedoeling zijn dat de integrale toegangspoort over details discussieert. De toegangspoort moet veeleer de rol van helpdesk vervullen, waar therapeuten terecht kunnen voor ondersteuning. De kennis en uitgebreide informatie, het overzicht van instanties, modules en trajecten is daar aanwezig.” 
  • Didier Moray: “Er is een sterke verhoging van de administratieve planlast. De verhouding tussen inhoud, nabijheid bij mensen, en administratief werk is zoek.” 
  • Eric Buelens: “Door de procedures en het werkingsmechanisme van de intersectorale toegangspoort wordt de vlotte toegang tot de integrale jeugdhulp bemoeilijkt. […] Er moet met de cliënten worden geleurd om een A-document ingevuld te krijgen. De CLB’s zijn weigerachtig. Ik kan daar begrip voor opbrengen.” 
  • Danny Aelvoet: “De omvang van het invullen van de A-documenten en het verzamelen van overbodige informatie in de A-documenten veroorzaakt een bottleneck bij de multidisciplinaire teams waardoor er vertraging ontstaat. Het is eerder een monitoring- en controlesysteem dan een verbetering van de kwaliteit van de zorg.” 
  • Piet Ketele: “In de praktijk blijkt bij minderjarigen met een beperking de contactpersoon-aanmelder een schim op papier.” 
  • Wim Taels: “De intersectorale toegangspoort is een grote stalen poort waar je als ouder amper door kan.” 
  • Patrick Blondé: “Waar is het respect voor de professionaliteit op de werkvloer? Wie toch een M- of een A-document gaat invullen, loopt grote kans dat hun diagnose op papier in vraag wordt gesteld.” 

 Maak de duur en de opvolging van jeugdhulpmodules flexibeler en afhankelijk van de noden van het kind, in plaats ze van bovenaf te bepalen. Sommige kinderen hebben langer nood aan dezelfde hulpmodule, andere kinderen net minder lang. Geef hulpverleners het vertrouwen om zelf in te schatten hoe lang een kind een bepaalde begeleiding nodig heeft, in plaats van de duur van een module van bovenaf voor elk kind, ongeacht de precieze noden ervan, vast te leggen.

Geef hulpverleners het vertrouwen zelf te kunnen inschatten aan welke vorm van hulp een kind nood heeft of over de overgang naar een meer aangepaste vorm van hulp, en laat hen al starten met die hulp op het moment dat een aanvraag ervoor wordt ingediend, in plaats van hen te moeten laten wachten op de goedkeuring van de integrale toegangspoort, die soms een half jaar op zich kan laten wachten. Al die tijd lopen kinderen en jongeren de hulp mis die zij nodig hebben.

Ook kinderen en jongeren in een verontrustende opvoedingssituatie moeten de hulp kunnen krijgen die zij nodig hebben. Daarom moet ook de rol van de Ondersteuningscentra Jeugdzorg (OCJ) versterkt en verduidelijkt worden. Nu is er sprake van rolverwarring, wordt te veel verantwoordelijkheid voor het omgaan met verontrusting gelegd bij de voorzieningen, is het OCJ moeilijk bereikbaar en moeilijk te betrekken, en moet er eerder verantwoord worden tegenover het OCJ waarom een voorziening beroep op hen wil doen dan dat het OCJ effectief tussenkomt in verontrustende situaties.

  • Eric Buelens: “Het overleg met de gemandateerde voorzieningen verloopt moeilijker dan vroeger.” 
  • Sofie Crommen: “De maatschappelijke functie die vroeger door het comité voor bijzondere jeugdzorg werd uitgeoefend, wordt thans geacht intrinsiek te behoren tot de verantwoordelijkheid van elke partner in de jeugdhulpverlening. Bij een aantal kinderen en jongeren blijkt de combinatie van die rol van kinder- en jeugdpsychiater en die maatschappelijke functie niet verenigbaar of werkbaar, wat de therapeutische relatie zwaar onder druk zet. Mensen haken af of vallen uit de boot. […] Wat met chronisch verontrustende situaties, op de rand van vrijwilligheid, die echt aanklampende opvolging behoeven? Die kinderen en jongeren vallen in de integrale jeugdhulp uit de boot. […] Vrijwilligheid lijkt belangrijker dan maatschappelijke noodzaak. Paradoxaal genoeg leidt dit tot net meer onbestemde crisisopnames in de kinder- en jeugdpsychiatrie. Het is onmogelijk om tijdig aanklampende zorg of opvolging te bieden, want de toegang tot het OCJ is veel moeilijker wanneer vrijwilligheid wankel of labiel lijkt.”
  • Birgit Roosens: “Dat iedereen met verontrusting moet kunnen omgaan, klopt, maar ook de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg en de Multifunctionele Centra werken met minder personeel en voelen zich in het licht van die moeilijke bijkomende taak vaak in de kou gezet.” 
  • Didier Moray: “De nieuwe regelgeving kaatst, als een VK of een OCJ worden gecontacteerd, de bal terug naar de melder. Hij moet verantwoorden wat hij al gedaan heeft. De ervaring is dat, vooraleer de stap richting VK of OCJ gezet wordt, er al heel wat gedaan is. Het is niet meer duidelijk welke rol er voor de cliënt wordt opgenomen. Het is soms beter dat een onafhankelijke derde tussenkomt en een andere rol gaat spelen.” 
  • CLB: “De samenwerking met de OCJ’s levert problemen op. De CLB’s hebben de indruk dat ze zich moeten verantwoorden als ze daar een verontrustende situatie aanmelden. Het interveniërend casemanagement lijkt momenteel nagenoeg onbestaande.” 
  • Erik Van Dooren: “De brede instap wordt geconfronteerd met zeer complexe en moeilijke hulpvragen en heeft nood aan ondersteuning.” 

 

3. Jeugdhulp moet op maat zijn van de jongere, niet op maat van het decreet

Het jargon waarmee gewerkt wordt is voor jongeren en hun familie, net zoals voor begeleiders en hulpverleners, te moeilijk, te technisch, en te ingewikkeld. Betrek jongeren meer bij het opstellen van een jeugdhulptraject, en geef hen een belangrijke stem in een permanente evaluatie van het jeugdhulplandschap. Het gaat tenslotte om hen.

Maak eindelijk werk van een trajectbegeleider, die het kind of de jongere bijstaat doorheen heel het traject in de integrale jeugdhulp. Zorg voor een persoon die het verhaal en het dossier van het kind kent, hen mee begeleidt doorheen het vaak moeilijke jeugdhulplandschap, en hen in elke fase van het traject met kennis van zaken kan helpen. Nu voelen kinderen en jongeren zich te vaak alleen gelaten, moeten ze telkens opnieuw hun verhaal doen tegen voor hen wildvreemden, en is er niemand die hen en hun geschiedenis kent en hen kan helpen gedurende langere tijd.

  • CLB’s: “De CLB’s betreuren nog altijd het ontbreken van trajectbegeleiding.” 
  • Piet Ketele: “Gezinnen die goed zijn in administratie, contacten leggen met allerlei instanties, ingewikkelde brieven lezen en bijhouden, zullen er wel raken. Maar net die gezinnen waar de ellende het grootst is, zullen door de mazen van het net vallen. Als de complexiteit blijft zoals ze vandaag is, is oa voor deze meest zwakke gezinnen iemand nodig die het overzicht behoudt, iemand die voor elke individuele jongere het ganse traject, met al zijn deelprocessen, van verwijzing naar het MDT tot opname in de voorziening onder zijn verantwoordelijkheid neemt.” 

Maak eindelijk werk van de moeilijke overgang naar volwassenheid. Wanneer een jongere 18 wordt (of, wanneer het een jongere met een handicap is die in een voorziening verblijft, soms 21), valt hij plots buiten de integrale jeugdhulp. Er wordt amper voorzien in de mogelijke continuering van een hulptraject. Nochtans stoppen hun problemen en hun zorgnoden niet op de dag van hun verjaardag. Voorzie in meer mogelijkheden om jongeren de stap te laten maken van leven in een voorziening naar zelfstandig wonen.

  • Cachet vzw: Jongeren die in een voorziening verblijven worden soms al op erg jonge leeftijd richting zelfstandig wonen geleid, zodat er terug plaatsen vrijkomen in de voorziening voor nieuwe jongeren. De kloof met leeftijdsgenoten wordt echter wel erg groot als je al op 17-jarige leeftijd alleen moet wonen. De overgang naar zelfstandig wonen en leven moet geleidelijker kunnen, met meer begeleiding, en op latere leeftijd. 
  • Didier Moray: “Een handicap blijft. De ernstige GES-problematiek is niet opgelost wanneer een jongere 21 jaar wordt.”
  • Danny Aelvoet: “Er is een nieuwe cesuur ingevoerd. Het is moeilijk aan een persoon met autisme uit te leggen dat bij een aanmelding op 15 jaar er lange wachtlijsten zijn. Het hele proces wordt uitgelegd, de persoon krijgt dan een toegangsticket en wacht. Op 18 jaar moet er dan meegedeeld worden dat de begeleiding zou kunnen starten maar dat het ticket niet meer geldig is. Vanaf 18 jaar moet hij zich opnieuw tot het VAPH wenden en de procedure opnieuw opstarten. We betwijfelen of dat continuïteit van zorg inhoudt.”