Een taks shift naar financieel vermogen, is een shift weg van de middenklasse

Alexander De Croo wil geen vermogenswinstbijdrage omdat die de middenklasse zou treffen. Nochtans treffen de huidige belastingen op arbeid de middenklasse veel meer. Een taks shift van arbeid naar vermogen is een shift weg van de middenklasse. Bijna 80% van de aandelen buiten pensioenfondsen zit bij de top 1%, 65% van het financieel vermogen zit bij de top 10%. Zoals Paul De Grauwe stelt in DM van 16/12/2014 kan je die makkelijk ontzien door een drempel in te voeren. In onze vorige blog hadden we gesteld dat vermogen sterker groeit dan inkomen en ook meer ongelijkheid oplevert omdat de verdeling van het vermogen ongelijker is dan dat van de inkomsten uit arbeid. In deze blog tonen hoe die verdeling juist zit voor België.  


 

De bovenstaande tabel geeft voor vier groepen, de onderste 50%, de middelste 40% en de top 10% uitgesplitst over de top 1% en de 9% daaronder1, weer wat hun respectieve aandeel is in het totale inkomen uit arbeid, totaal netto vermogen, het bruto financieel vermogen en beursgenoteerde aandelen.   

De verdeling van het inkomen uit arbeid
Voor inkomen uit arbeid en vervangingsinkomens geldt volledige transparantie ten aanzien van de fiscus. Er zijn dan ook gedetailleerde gegevens beschikbaar over de verdeling van die inkomsten via de statistieken van de personenbelasting, die voor 98,7% uit arbeidsinkomen (inclusief vervangingsinkomens) bestaan.  

TWEET DIT
“Taks shift naar financieel vermogen, is shift weg van middenklasse.”

 In navolging van Piketty schetsen we de verdeling niet per deciel of door middel van de vaak gebruikte gini coëfficiënt, maar door de bevolking in te delen in drie groepen: de onderste 50%, de middelste 40% en de top 10%. Dit is een arbitraire opdeling en er zijn andere opdelingen mogelijk die even relevant zijn, maar het voordeel van de hier gebruikte opdeling is dat ze dicht aansluit bij het politieke debat dan bijvoorbeeld de gini coëfficiënt. Over de ‘middenklasse’, een term waar we geen fan van zijn, zouden we dan kunnen zeggen dat ze gedefinieerd wordt als de middelste 40% van de bevolking. Opnieuw: ook daar zijn andere inschattingen mogelijk. Maar evengoed kunnen we stellen dat op zijn minst contra-intuïtief is de top 10% of de top 1% bij de middenklasse te rekenen.


 

Uit de cijfers blijkt dat in België in 2010 8% van het arbeidsinkomen naar de top 1% ging en 21% naar de 50% laagste inkomens. De midden 40% kreeg 47% van het inkomen voor belastingen. Na belastingen is de verdeling minder ongelijk. Dit toont aan dat de impact van de personenbelasting op de verdeling van de arbeidsinkomens belangrijk is.

 De verdeling van het vermogen  
Wat de inkomsten uit vermogen betreft is er in ons land, in schril contrast met de inkomsten uit arbeid, zo goed als geen informatie beschikbaar over de verdeling van die inkomsten over de gezinnen. De roerende voorheffing is immers bevrijdend en een meerwaardebelasting op aandelen bestaat nagenoeg niet2 evenmin als een meerwaardebelasting op vastgoed. Er zijn ook geen fiscale statistieken over werkelijke huurinkomsten, en het kadastraal inkomen, voor zover dat al een redelijke benadering zou zijn, is in de personenbelasting vrijgesteld voor de eigen woning.  

Het gevolg van de quasi totale afwezigheid van informatie over verdeling van de inkomsten uit vermogen, zijn we aangewezen op beschikbare informatie over de basis van de vermogensinkomsten, het vermogen van de gezinnen.  

Het gezinsvermogen is ons land relatief hoog ten aanzien van het inkomen (zie vorig artikel). Maar ook in absolute cijfers is dat vermogen hoog. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het ‘global wealth report’ van Crédit Suisse (2013): Wat het gemiddeld nettovermogen per Belg betreft staat ons land op de 4de plaats binnen de EU. Wat het financiële nettovermogen per capita betreft zijn we, op Zwitserland na, het rijkste land van West-Europa (Allianz Global Wealth Report, 2013).   
Wat de verdeling van het vermogen over de gezinnen betreft, beschikken we sinds kort over enquêtegegevens dankzij de ‘Household Finance and Consumption Survey’, van de Europese Centrale Bank. De gegevens werden verwerkt door het Centrum Voor Sociaal Beleid in de publicatie ‘De verdeling van de vermogens in België’ (2014).


 

We stellen vast het vermogen een stuk ongelijker verdeeld is dan het inkomen uit arbeid voor belastingen. In België ging in 2010 8% van het arbeidsinkomen naar de top 1% terwijl de 1% over 12% van het netto vermogen beschikte. En tegenover 21% van het arbeidsinkomen beschikt de onderste 50% over amper 10% van het netto vermogen. De middengroep kreeg 47% van het inkomen en beschikt over 46% van het nettovermogen.  

Een belangrijke nuance is dat de ongelijke verdeling die naar voor komt uit de ECB-enquête een onderschatting is. Van enquêtegegevens is geweten dat de topinkomens en topvermogens er ondervertegenwoordigd zijn en diegenen die er wel aan deelnemen hun vermogen onderschatten. In de gebruikte enquête bedraagt het grootste vermogen in België 8 miljoen euro. Om de onderschatting tastbaar te maken: de Belg die op de Forbes miljardairlijst prijkt beschikt over een vermogen van 1,9 miljard euro. In een recente studie van de ECB (Vermeulen, 2014) wordt hiermee rekening gehouden. Het resultaat is dat het aandeel in het vermogen van de top 1% in België stijgt van 12% naar 17%. De top 5% gaat van 31% naar 34%.  

TWEET DIT
“Het financieel vermogen is een stuk ongelijker verdeeld dan het totale vermogen.”

 
Verder is het opmerkelijk dat er zeer grote verschillen zijn inzake de verdeling van afzonderlijke vermogenscomponenten. Zo is het financieel vermogen een stuk ongelijker verdeeld dan het totale vermogen. De top 1% bezit 12% van het totaal vermogen, maar liefst 27% van het financieel vermogen. De top 10% bezit 44% van het totaal vermogen, maar 65% van het financieel vermogen. De onderste 50% beschikt over amper 4% van het financieel vermogen.


 

Maar ook binnen het financieel vermogen zijn er grote verschillen inzake de verdeling naargelang het type vermogen. Zo is het bezit van (beursgenoteerde) aandelen, obligaties en beleggingsfondsen nog veel ongelijker verdeeld dan het totaal financieel vermogen. Op basis van de gegevens uit de publicatie van het CSB schatten we de verdeling van de vermogenscomponenten over de drie grote groepen4. Blijkt dat telkens de onderste twee groepen, 90% van de bevolking, zo goed als niet participeert in de betrokken activa, terwijl de top 1% goed is voor respectievelijk een derde van de deelbewijzen in ICB’s, bijna 60% van de beursgenoteerde aandelen en tot bijna drie kwart van de obligaties. Het contrast met het inkomen uit arbeid kan moeilijk groter zijn.

 

sp.a diende in de Kamer een voorstel in van heffing op de meerwaarden van aandelen. We kunnen de vicepremier dus gerust stellen: de werkende middenklasse zal daar op basis van deze cijfers niet door geraakt worden. Aangezien deze heffing kadert in een tax shift en de opbrengsten gaan naar een verlaging van de lasten op arbeid, kunnen we zelfs zeggen: integendeel. Pensioenfondsen zitten niet in deze categorie aandelen. Dit stelsel zal volgens ons voorstel behouden blijven zoals het is, en de meerwaardebelasting zal hier dus niet van toepassing zijn.  

De verdeling van het inkomen uit vermogen  
Wat zegt de verdeling van het vermogen over de verdeling van de vermogensinkomsten? Empirisch onderzoek toont aan dat de verdeling van de vermogensinkomsten nog ongelijker is dan de verdeling van het vermogen zelf. Daar zijn een aantal mogelijke verklaringen voor.
Ten eerste zouden grote vermogens meer risico kunnen nemen. Een verlies van 10% is makkelijker te dragen voor iemand met een initieel vermogen van één miljoen euro dan voor iemand met een vermogen van tienduizend euro. En een hoger risico moet gecompenseerd worden door een hoger verwacht rendement te beloven. Deze verklaring klinkt logisch, maar wordt weerlegd door onderzoek van Piketty naar het beheer van de fondsen van Amerikaanse universiteiten: hoe groter het fonds, zo blijkt, hoe hoger het rendement, zonder dat echter het risico (of de volatiliteit) toeneemt.  

Een tweede verklaring snijdt meer hout: grote vermogens hebben een andere en betere samenstelling.


In dat kader moet aangestipt worden dat er belangrijke rendementsverschillen bestaan tussen de verschillende types van vermogen. Piketty onderzocht dit en stelt dat de grootteorde van het rendement op vermogen 4 à 5% bedraagt (voor belasting), maar dat dit gemiddelde grote verschillen verbergt: zo zal het rendement op een spaarboekje amper meer of zelfs minder bedragen dan de inflatie. Vastgoed (exclusief de eigen woning) zou een rendement laten optekenen dat van dezelfde grootteorde is als dat van het totale vermogen. Het rendement van financiële investeringen is dan weer hoger dan gemiddeld.  

Als we dan kijken naar het verschil in portfolio tussen een gemiddeld vermogen en het vermogen van de zogenaamde High Net-Worth Individuals (HNWI), doorgaans gedefinieerd als iemand met een te beleggen5 vermogen van meer dan 1 miljoen dollar, dan kan daaruit worden afgeleid dat grotere vermogens doorgaans grotere rendementen realiseren als gevolg van het verschil in samenstelling tussen beide. Uit de CSB publicatie blijkt bijvoorbeeld dat een gemiddeld Belgisch vermogen voor meer dan de helft uit de waarde van de eigen woning bestaat, voor zowat 10% uit deposito’s en voor minder dan 4% uit aandelen. Terwijl de portfolio van een HNWI voor en kwart uit aandelen bestaat, voor een vijfde uit vastgoed (exclusief de eigen woning) en voor een kwart uit andere financiële investeringen6.
Hoe komen grote vermogens tot deze gevarieerdere en  betere samenstelling? In de eerste plaats is dat een zaak van instapkosten in een ruime betekenis: beleggen in aandelen en obligaties vergt al een zekere deskundigheid, en des te meer geldt dit voor alternatieve instrumenten zoals private equity, hedgefondsen, derivaten en beleggingen in grondstoffen. Een beroep doen op die deskundigheid kost geld, maar voor grote vermogens bedraagt dit slechts een fractie van de mogelijke winst. Ten tweede zijn bepaalde financiële producten pas toegankelijk - of toegankelijker -  als je al geld hebt. Met 2000 euro op je spaarrekening krijg je bv. geen uitnodiging van de bank om over een belegging te komen praten. Een andere voorbeeld is de aanschaf van een woning: wanneer je eigen inbreng te laag is, kan het gebeuren dat je gewoon geen hypothecaire lening kan aangaan, ook al zou het in principe een betere investering kunnen zijn dan huren.

TWEET DIT
“Een meerwaardebelasting op aandelen treft de middenklasse niet. #deFeiten”

Conclusie
Het inkomen uit vermogen is veel ongelijker verdeeld dan het inkomen uit arbeid. Die vaststelling geldt nog veel meer voor het inkomen uit financiële beleggingen. Wat aandelen, obligaties en deelbewijzen van beleggingsfondsen betreft kunnen we zeggen dat de opbrengst daaruit bijna exclusief bestemd is voor 10% van de bevolking en meer dan de helft bij de top 1% terecht komt. Voor 90% van de bevolking zijn die inkomsten verwaarloosbaar. We kunnen dan ook stellen dat de verhoging van de roerende voorheffing op dividenden en rente-inkomsten uit obligaties, doorgevoerd door de vorige regering niet op kap van de middenklasse gebeurde. Evenzeer kunnen  we stellen dat wie in de discussie over de al dan niet invoering van een meerwaardebelasting op aandelen schermt met de ‘middenklasse’ die de factuur zou betalen, de waarheid geweld aan doet.

 

Lees hier ook het artikel: "Tax shift: sociaal én economisch zinvol" van Jan Cornillie en Inti Ghysels in Sampol.

verdeling.png

Deze discussie werd gesloten.