Het Trans-Atlantisch Handels- en Investeringsakkoord (TTIP) speelt vooral in de kaarten van lobbyende multinationals, terwijl de belangen van burgers en kmo’s op de helling komen te staan. De beloofde economische baten zijn hoogst onzeker, de mogelijke nefaste neveneffecten substantieel, het maatschappelijke draagvlak onbestaande. Als de onderhandelaars willen dat het uiteindelijke akkoord enige legitimiteit heeft, zal de koers van hun Trans-Atlantische schip drastisch moeten wijzigen.

Europese landen die inzetten op de levenskwaliteit van hun burgers en hoge standaarden hanteren inzake kwaliteit en duurzaamheid van producten en diensten, presteren economisch veel beter en creëren meer jobs

De taal van de Europese Commissie en andere pleitbezorgers van het verdrag loopt over van de superlatieven. TTIP wordt geroemd als een ‘game changer’, de ‘gouden standaard’ voor toekomstige handelsakkoorden, het ‘stimuluspakket’ dat ons uit de crisis zal trekken. De economische baten zouden aanzienlijk zijn: de creatie van honderdduizenden jobs, een spectaculaire groei van de Europese economie, een stijging van het gezinsinkomen met maar liefst 545 euro!

We zijn intussen een aantal studies verder. En daarin zijn de superlatieven ver te zoeken. Het meest recente onderzoek voorspelt dat de Europese economie even spectaculair zal krimpen als de voorstanders beweren dat hij zal groeien. Opvallend: de grootste verliezers van het handelsverdrag zijn Nederland, Finland en … België! In deze landen zouden maar liefst 223.000 jobs verloren gaan. Stimulus-pakket? Het TTIP zal ons heus niet uit de crisis roeien. Stilaan dringt zich de vraag op of we in ruil voor onzekere economische baten de nefaste neveneffecten van het TTIP willen aanvaarden. Want die blijken niet te onderschatten.

De Europese normen waaraan producten en diensten moeten voldoen zijn doorgaans heel wat ambitieuzer dan de Amerikaanse. Kippenvlees dat behandeld werd met chloor, genetisch gemanipuleerde groentjes of hormoonvlees zijn vlot verkrijgbaar in Amerikaanse supermarkten. Dat is bij ons gelukkig niet het geval, maar TTIP zou daar wel eens verandering in kunnen brengen. De voedingsindustrie is slechts het tipje van de sluier, want het verdrag behelst zowat alle economische sectoren. De kans is dan ook reëel en de vrees groot dat TTIP zal leiden tot een verlaging van Europese standaarden inzake voedselveiligheid, informatie aan consumenten, arbeidsrechten en milieu – om er maar enkele te noemen.

En dan moet het meest heikele punt nog komen. Alles wijst erop dat in het TTIP-verdrag een zogenaamd ‘investor-to-state dispute settlement’-mechanisme (ISDS) opgenomen zal worden. In de praktijk komt dit erop neer dat overheden gedwongen kunnen worden om miljarden euro’s belastinggeld te betalen aan multinationals als ‘compensatie’ voor wetgeving die hun winsten zou kunnen aantasten. Zo eist de Zweedse energiereus Vattenfall compensatie van Duitsland voor hun uitdoofbeleid van kern- en steenkoolcentrales. Philip Morris doet hetzelfde met Uruguay en Australië voor anti-rookmaatregelen.

Het ISDS-mechanisme belet overheden dus om regelgeving door te voeren die in het belang van hun bevolking is. De burger heeft bovendien geen toegang tot dit rechtsmiddel en kmo’s kunnen het zich niet veroorloven. Dit raakt aan het gelijkheidsbeginsel en is een aanfluiting van de democratie. De opname van ISDS in het TTIP-akkoord is voor ons dan ook uitgesloten.

De huidige regering veronderstelt dat het streven naar meer respect voor arbeids- en milieunormen schadelijk is voor onze concurrentiepositie. Het tegendeel is waar. Europese landen die inzetten op de levenskwaliteit van hun burgers en hoge standaarden hanteren inzake kwaliteit en duurzaamheid van producten en diensten, presteren economisch veel beter en creëren meer jobs. Zwitserland, Oostenrijk en Denemarken zijn daar voorbeelden van.

Dit opiniestuk verscheen op www.tijd.be (06/02)