Voor het eerst in de geschiedenis heeft Vlaanderen de sleutels in handen om een eigen kinderbijslagstelsel uit te tekenen. Als de regering eruit raakt, kan de uitkomst een betekenisvolle impact hebben op de welvaart van veel Vlaamse gezinnen. Bart Eeckhout en Joël De Ceulaer hebben deze week met hun uiteenlopende visies bewezen dat de discussie niet zwart-wit is. Voor beide meningen valt wel iets te zeggen. Des te meer reden om het debat open, eerlijk en grondig te voeren. Want de vraag die zich vandaag stelt over de kinderbijslag, gaat eigenlijk over de hele sociale zekerheid van morgen.

De kinderbijslag is lager dan de uitgaven die vele ouders voor hun kinderen doen

“Een sociale zekerheid alleen voor de armen is een arme sociale zekerheid”, zo gaat de boutade. Dat geldt ook voor de kinderbijslag. Met de kinderbijslag verzekeren we onszelf voor het behoud van levensstandaard wanneer we kinderen krijgen. Arm of rijk, kinderen zorgen voor extra kosten voor álle ouders. Onze sociale welvaartsstaat dekt een deel van die kosten. Voor iedereen, zonder onderscheid. Net zoals de mutualiteit elk doktersbezoek - van advocaat tot poetsvrouw – terugbetaalt. Net zoals iedereen een wettelijk pensioen geniet, of recht heeft op een uitkering na een zwangerschap, een ongeluk of een ontslag.

De universaliteit van dat principe is belangrijk: het garandeert dat iedereen deelneemt aan en zich deel kan voelen van onze welvaartstaat. Precies omdat onze kinderbijslag universeel is, verbindt ze. Het is een boodschap van de samenleving aan alle ouders: wij ondersteunen jou om goed voor je kind te zorgen. Heel simpel, omdat het ons kan schelen in welke omstandigheden kinderen opgroeien. Bovendien is een kinderbijslag voor élk kind de beste garantie op het behoud ervan: iedereen draagt bij aan de sociale welvaartsstaat, en iedereen krijgt er ook van terug. En hoe je het ook draait of keert, een sociaal programma dat zich enkel richt op de meest kwetsbaren in de samenleving, is erg kwetsbaar voor pogingen tot afbraak. Ons voorstel voor hervorming van de kinderbijslag houdt dan ook vast aan die universaliteit. Elk kind gelijk. Dat is eenvoudig, transparant en inclusief. Tegelijk kunnen we niet aan de realiteit voorbij dat steeds meer kinderen opgroeien in armoede - bijna 1 op de 5 ondertussen. Daarom voorziet ons voorstel een sociale toeslag voor gezinnen met lage inkomen. We hebben iédereen nodig om het Vlaanderen van morgen uit te bouwen. Talent verspillen, kunnen we ons niet veroorloven. Maar vooral: élk kind verdient het in de beste omstandigheden te kunnen opgroeien. Elk kind verdient het om te mogen leven in een gezin dat zich niet dag en nacht zorgen hoeft te maken over een te laag inkomen. Waar nodig, hebben wij de plicht om bij te springen. Een sociale toeslag is dus noodzakelijk om elk kind de beste kansen te geven.

Maar dan nog: de kinderbijslag is lager dan de uitgaven die vele ouders voor hun kinderen doen. Helaas is die voor vele ouders ook lager dan de uitgaven die ze voor hun kinderen móéten doen. De aanhangers van Joël De Ceulaer zeggen dan: waarom ons geld dan niet volledig inzetten in de strijd tegen kinderarmoede? Simpeler gezegd: iedereen draagt bij, maar alleen de poor few ontvangen. Buitenlandse voorbeelden bewijzen dat een sociale zekerheid voor de armen in zo’n scenario in een mum van tijd wordt aangevuld met private sociale verzekeringen voor de happy few. Waarna de sociale zekerheid zelf in vraag gesteld wordt, omdat wie rijk en mondig is er niets meer aan heeft. In geen enkel land leidt zo’n duaal systeem tot minder armoede en minder ongelijkheid, ook al lijkt het op het eerste gezicht zo.

Slotsom: de kinderbijslag moet er voor élk kind zijn, maar hij moet veel meer dan vandaag ook een krachtig wapen zijn in de strijd tegen kinderarmoede.