Duitsland, gidsland. Dat is zowat de teneur als het gaat over de economische prestaties van onze oosterburen. Maar een studie van de Oeso toont dat de Duitsers op langere termijn een lagere groei dan bij ons laten optekenen. En dat roept wel wat vragen op.

Binnen de groep van vier landen waar we ons zo vaak mee vergelijken, zie je het belang van de factor inkomen vandaag al. In Nederland taant de groei en zakt de koopkracht al vijf jaar mee.

In België en de landen daarrond discussiëren we heel wat af over de economie - gelukkig maar. En over economische modellen. Daarbij wordt er vaak naar de voorbije jaren gekeken, en nog vaker naar het laatste jaar. De Oeso heeft nu een studie gemaakt over de jaren die nog moeten komen. Uit de groeiverwachtingen op lange termijn voor 34 Oeso-landen komen twee zaken naar voren die op het eerste gezicht verrassend zijn. Eén: die verwachtingen zijn voor België beter dan voor onze drie buurlanden. En twee: op de lange termijn eindigt Duitsland als allerlaatste van de 34 landen, als land met de laagste verwachte groei.

Die voorspelling geeft de discussies in eigen land en binnen Europa minstens een bijkomende dimensie. Het gezaghebbende blad The Economist wijdt er deze week, in de laatste rechte lijn naar de verkiezingen in Duitsland, ook een artikel aan. De vraag waarom Duitsland helemaal aan de staart bengelt, is boeiend. Zeker omdat de verschillen met andere landen zo aanzienlijk zijn. Zo zou België op de langere termijn dubbel zo snel groeien als Duitsland. Vier factoren verklaren de povere verwachtingen voor Duitsland. De vergrijzende bevolking, de overdreven afhankelijkheid van de export, de lage productiviteit en het teveel aan laag betaalde jobs. De eerste twee factoren hebben wij met Duitsland gemeen. Toch komt de studie uit op een dubbele groei voor België. Dat toont dus het belang van de discussie rond de laatste twee factoren: productiviteit en loon.

Snoeien om te bloeien?

Bij de herneming van het politieke jaar is het precies op die punten dat verschillende partijen stellingen hebben ingenomen. Neem de laag betaalde jobs. De N-VA en Open VLD trekken voluit de kar van lagere lonen, mini-jobs en flexi-jobs. En dus van meer werkende armen. Natuurlijk zal de discussie daarover niet de enige zijn die het verschil maakt, maar het is wel een belangrijke. Moeten de gezinnen eerst inleveren, in de hoop dat het daardoor later beter gaat? In die grote discussie is hun inkomen (uit al dan niet laag betaalde jobs) wel essentieel. Binnen de groep van vier landen waar we ons zo vaak mee vergelijken, zie je het belang van de factor inkomen vandaag al. In Nederland taant de groei en zakt de koopkracht al vijf jaar mee (DS 17 september).

Nog belangrijker is de keuze van het economische en maatschappelijke model. Kiezen we voor een model met degelijke lonen en een goede bescherming? Of kiezen we voor een 'snoeien om te groeien'-model, waar er veel moet worden gesnoeid om de rendabiliteit van ondernemingen te verhogen? Natuurlijk hebben we zo veel mogelijk stevige ondernemingen nodig, die steeds sneller innoveren en competitief moeten zijn. Maar daartoe de zekerheid en de budgetten van consumenten verminderen, werkt negatief op de verwachtingen. Zeker op een moment van grote onzekerheid over, bijvoorbeeld, de binnenlandse vraag. Wat ben je met de bierproductie als de cafés geen biervaten meer kopen en de klanten geen pinten meer drinken?

Laat dit soort van cijfers en presentaties dus maar essentieel zijn in het debat. En voor de volledigheid: nee, België komt er niet telkens als slechtste van de vier uit. Integendeel. In deze Oeso-studie is ons land de beste van de vier. Wat de noodzaak van verdere grondige discussies niet tempert. Maar de studie bevestigt dat het vreemd is om iets beloftevols koste wat het kost te willen afbreken.

Ik vraag niet om ze aan te nemen, het is maar een studie, maar bekijk ze toch eens.