Er zijn in Brussel te weinig transitwoningen en het beheer ervan in versnipperd. Nochtans zijn deze transitwoningen erg belangrijk om, bijvoorbeeld als woningen onbewoonbaar worden verklaard of mensen worden uit huis gezet, het grondwettelijk recht op wonen te garanderen. Brussels parlementslid en voorzitter van de commissie Huisvesting Fouad Ahidar ondervroeg bevoegd minister Céline Fremault hierover.  

Transitwoningen zijn woningen die tijdelijk kunnen worden gebruikt door slachtoffers van een uithuiszetting of een onbewoonbaarverklaring. Ze bieden een oplossing voor crisissituaties en maken het mogelijk dat gemeenten woningen die onveilig of ongezond zijn onbewoonbaar kunnen verklaren zonder de bewoners op straat te zetten.

In Brussels zijn er slechts een 500-tal publiek beheerde transitwoningen. Zij worden beheerd door gemeenten, OCMW’s en sociale verhuurkantoren. Daarnaast zijn er nog verenigingen die dergelijke transitwoningen beheren.

Fouad Ahidar wil dat het aantal transitwoningen in Brussel wordt opgetrokken en dat het Brussels Gewest een goed kader maakt voor het beheer van die transitwoningen:

“Transitwoningen zijn enorm belangrijk om ervoor te zorgen dat mensen niet – letterlijk – op straat komen bij bijvoorbeeld een uithuiszetting of een onbewoonbaarverklaring. Ze zijn dus belangrijk in noodsituaties. Op dit moment zijn er in Brussel te weinig dergelijke transitwoningen en zijn ze ook ongelijk verdeeld over het grondgebied. We moeten ervoor zorgen dat er meer dergelijke transitwoningen komen en dat er een coherent beleid wordt gevoerd.”

Ahidar wijst er ook op dat nu gemeenten soms aarzelen om woningen die duidelijk gevaarlijk of ongezond zijn voor bewoning onbewoonbaar te verklaren bij gebrek aan noodoplossingen voor de getroffen gezinnen. Door een verhoging van het aantal en een beter beheer van de transitwoningen, kan ook de strijd tegen huisjesmelkerij worden opgevoerd.