Te veel geld voor kwetsbare scholen?

Het recente Vlaamse regeerakkoord laat de werkingsmiddelen van scholen evolueren naar een basistoelage die voor elke leerling gelijk is, op basis van het niveau (kleuter, lager, secundair) en de studierichting. De enige uitzondering is een extra toelage voor het officieel onderwijs, omdat het verplicht is verschillende levensbeschouwelijke vakken aan te bieden en de vrije keuze te garanderen. Dat betekent het einde van de financiering die ingevoerd is in 2008, waarbij de sociaal-culturele achtergrond van de leerlingen ook een rol speelt.

In de geschiedenis van het Vlaamse onderwijs is het woord 'gelijk' een sleutelbegrip. Toen na de schoolstrijd het Schoolpact in 1958 werd afgesloten, kreeg het katholiek onderwijs toegang tot publieke financiering. De ongelijke financiering van de werkingsmiddelen van scholen bleef echter een heet hangijzer, dat pas vijftig jaar later door het decreet van 2008 definitief uit de weg geruimd werd: scholen in gelijke situaties kregen gelijke middelen. Dat betekende niet 'hetzelfde voor iedereen': scholen met meer kansarme leerlingen zouden meer middelen krijgen dan scholen met minder kansarme leerlingen. Het akkoord dat daarover in 2007 bereikt werd tussen de netten, vormde een historische doorbraak: de schoolstrijd was definitief voorbij, alle energie kon gaan naar wat ik toen 'een tienkamp voor gelijke onderwijskansen' noemde. Het decreet werd goedgekeurd door alle politieke partijen, over meerderheid en oppositie. Alleen Vlaams Belang stemde tegen.

Stimulans

Zo wordt nu in het basisonderwijs 14 procent van de werkingsmiddelen selectief verdeeld, op basis van het sociale profiel van de scholen. In het secundair onderwijs gaat het om 10 procent. Voor scholen met een kansarm publiek kan het om een aanzienlijke extra gaan. Daarnaast bestaat er ook een bijkomende personeelsomkadering voor scholen met kansarme leerlingen. In het basisonderwijs gaat het om een selectieve verdeling van zo'n 9 procent van subsidies voor omkadering, in het secundair onderwijs is dat veel minder. De motivatie is dat scholen met meer kwetsbare leerlingen ook meer middelen nodig hebben.

In het Vlaams regeerakkoord staat nu dat scholen met kansarme leerlingen hun bijkomende werkingsmiddelen op termijn volledig verliezen. Je zou kunnen stellen dat ze meer middelen nodig hebben qua omkadering, maar niet qua werkingsmiddelen: het is de beschikbaarheid van leerkrachten die het verschil maakt. Maar de inzet van extra leerkrachten brengt ook meer werkingskosten met zich mee, gaande van pedagogisch materiaal tot geld voor nascholing. Je kunt redetwisten over de optimale verhouding tussen middelen voor omkadering en middelen voor werking in dit gelijke kansenbeleid. Maar aan scholen met een kwetsbaar profiel uitsluitend extra omkadering bieden en daar geen extra werkingsmiddelen tegenover stellen, is vreemd.

Los van het feit dat personeelsomkadering niet zonder werkingsmiddelen kan, waren er ook andere argumenten voor extra werkingsmiddelen. Scholen met een kansarm publiek moeten misschien meer dan andere scholen uit de eigen begroting putten om allerhande activiteiten te organiseren, omdat ze daarvoor minder gemakkelijk de ouders kunnen aanspreken. Zulke scholen verzamelen ook moeilijker fondsen via initiatieven van ouders. Bijkomende werkingsmiddelen laten niet alleen toe om de moeilijkere maatschappelijke positie van kansarme scholen te compenseren; ze vormen ook een waardering en een stimulans om te werken met kansarme leerlingen en segregatie tegen te gaan.

Dat een school met veel kansarme leerlingen en de imago- en andere problemen die daarmee kunnen samenhangen, wat meer materiële mogelijkheden krijgt om uit te blinken in haar aanbod, is niet a priori fout. Bovendien, werkingsmiddelen mogen ook ingezet worden om personeel aan te werven: tot op zekere hoogte kan men de extra's voor omkadering en voor werkingsmiddelen dus opvatten als communicerende vaten, wat scholen zeer veel vrijheid geeft om eigen accenten te leggen. Met andere woorden, stellen dat extra ondersteuning uitsluitend via subsidies voor lestijden moet lopen omdat werkingsmiddelen er niet toe doen of niet kunnen bijdragen tot het pedagogische proces, is kort door de bocht. De vraag is of differentiële financiering, van omkadering én werkingsmiddelen, op basis van leerlingenkenmerken effectief bijdraagt tot uitstekend onderwijs voor kansarme leerlingen.

Kansen op middelmatigheid

Om misverstanden te vermijden: ik geloof niet dat differentiële financiering op zichzelf tot meer gelijke kansen leidt. Ik heb er vaak op gehamerd dat de nieuwe financiering slechts de eerste proef was uit de 'tienkamp voor gelijke kansen', en dat er nog negen proeven zouden volgen: sterker engagement van de ouders, strengere aandacht voor de resultaten die scholen boeken, betere studiekeuze. Twee van de tien proeven gingen over taal; de vijfde proef betrof de invoering van taaltoetsen, wat nu gebeurt en een uitstekende zaak is.

De mantra van destijds zal sommigen nog bekend in de oren klinken: 'Voldoende centen en een rechtvaardige verdeling van de centen zijn een voorwaarde voor gelijke kansen, maar geen garantie voor gelijke kansen. En, gelijke kansen op middelmatigheid zijn geen gelijke kansen.' Opdat differentiële financiering tot meer gelijke kansen zou leiden, moeten scholen op basis van de schooldoorlichtingen aangesproken worden over de resultaten die ze boeken met kansarme leerlingen. De roep om autonomie - sterk aanwezig in het regeerakkoord - mag niet zo ver doorslaan dat scholen een vrijbrief krijgen om zwakke resultaten af te leveren, noch met kansarme leerlingen, noch met kansrijke leerlingen.

Differentiële financiering heeft dus zin als schakel in een globaal onderwijsbeleid, niet als op zichzelf staande maatregel. Vooraleer men dit systeem afschaft, moet men evalueren of het zijn rol als schakel in het beleid speelt. Als dat niet zo zou zijn, dan ligt het probleem misschien niet bij de financiering, maar bij andere schakels - bijvoorbeeld de manier waarop scholen omgaan met de resultaten die ze boeken, de wijze waarop ze op het realiseren van gelijke kansen aangesproken worden, de kracht van hun taalbeleid.

Zouden we bijvoorbeeld niet in kaart moeten brengen wat scholen die sterke resultaten neerzetten met kwetsbare leerlingen vandaag onderscheidt van gelijkaardige scholen met zwakke resultaten? Het beleid dat destijds opgestart werd met de tienkamp voor gelijke kansen is geen heilige koe. Integendeel, de tienkamp moet kritisch tegen het licht gehouden worden. Eerder dan een kritische stap vooruit wordt nu een onkritische stap achteruit aangekondigd.

Frank Vandenbroucke

Dit opiniestuk verscheen in De Standaard (04/09)