“Jobs creëren via dienstencheques kost 50.000 euro.” Dat kopte De Standaard op haar voorpagina van 12 februari 2015. Althans, dat is wat de krant onthoudt uit een studie van Ive Marx en Dieter Vandelannoote. Dat is dubbel jammer, omdat de kostprijsberekening niet de kern van de studie vormt en daardoor aspecten die wél interessant zijn onderbelicht blijven. In deze blog gaan we na wat extra jobcreatie via dienstencheques de overheid écht kost. Dan komen we tot een bedrag dat aanzienlijk lager is: met name maximaal 15.000 euro per voltijds gecreëerde job via dienstencheques en geen 50.000 euro.

 
 

1. Wat kost een voltijdse dienstencheque-werknemer aan de overheid?

Per gewerkt uur krijgt de dienstencheque-onderneming 22,04 euro. In dat bedrag zit de 9 euro die de gebruiker betaalt. Daarnaast betaalt de overheid het fiscale voordeel van 30% op de aankoopwaarde van de dienstencheque, of 2,70 euro. De overheid betaalt dus 15,74 euro per gewerkt uur en dat is 71,5% van de totale kostprijs per gewerkt uur. Maar dat is niet altijd het geval.
De fiscale aftrek is immers jaarlijks beperkt tot het gebruik van ongeveer 150 cheques. Wie meer cheques aankoopt, verliest dus het fiscaal voordeel. De inbreng van de overheid daalt dan naar 13,04 euro per gewerkt uur of 59%. Vanaf de 401ste cheque betaalt de gebruiker 10 euro in plaats van 9 euro waardoor de tussenkomst daalt naar 12,04 euro per gewerkt uur of 54,5%.
De maximale jaarlijkse brutokost van de overheid bedraagt per voltijdse dienstenchequewerknemer iets minder dan 29.000 euro. En als we rekening houden met het verlies van het fiscaal voordeel én de hogere aanschafwaarde van 10 euro, daalt die jaarlijkse overheidskost zelfs naar 24.000 en 22.000 euro per jaar.

2. Wat kost de creatie van een extra job met dienstencheques aan de overheid?
De overheid neemt tewerkstellingsmaatregelen met als doel extra jobs te creëren. Om het succes van een maatregel te meten, volstaat het niet het totaal aantal werknemers te tellen die onder de tewerkstellingsmaatregel vallen. Een deel van die jobs bestond misschien al voordat de maatregel ingevoerd werd; of een ander deel van die jobs zou er misschien sowieso zijn gekomen zonder de maatregel. In het jargon noemen we dat fenomeen substitutie-effecten.

Voorbeeld: stel dat de overheid werkgevers een subsidie van 10.000 euro geeft per laaggeschoolde jongere dat hij of zij aanwerft, en op die manier 10.000 jongeren worden aangeworven. Het kan zijn dat 5.000 jongeren al werk hadden voordat de maatregel van toepassing werd of sowieso toch een job zouden hebben gevonden. Als dat het geval is, dan creëert de maatregel slechts 5.000 extra jobs. De kost voor de overheid per gecreëerde extra job bedraagt dan 20.000 euro.
Het is deze kost per gecreëerde extra job die Marx en Vandelannoote berekenen. Hoe komen ze  aan dat bedrag van 50.000 euro? Door de jaarlijkse kostprijs voor de overheid (1,86 miljard euro volgens de Evaluatie van de dienstencheques 2012, uitgevoerd door Idea Consult) te delen door 75.000 (voltijdse personen tewerkgesteld met dienstencheques). Daarbij veronderstellen de auteurs dat slechts de helft van deze jobs echt nieuw gecreëerde jobs zijn. Zo geven ze meteen zelf aan dat de netto tewerkstellingsimpact van het dienstenchequesysteem moeilijk in te schatten is.

Onze kanttekeningen

De berekening houdt enkel rekening met de brutokost van dienstencheques en niet met terugverdieneffecten. Die terugverdieneffecten zijn er nochtans:  minderuitgaven in de werkloosheid, extra sociale bijdragen en personenbelasting, bijkomende tewerkstelling via het omkaderpersoneel, hogere koopkracht dat zich vertaalt in extra btw, vennootschapsbelastingen,... Als we wel rekening houden met die terugverdieneffecten komt Idea-Consult uit op een jaarlijkse nettokost voor de overheid van 1,05 miljard euro. De ratio van de nettokost ten aanzien van de brutokost is dus 56%. Wil men de ‘échte’ kostprijs per gecreëerde job met dienstencheques berekenen, is het beter om rekening te houden met deze nettokost en niet met de brutokost.
Het grote discussiepunt is met andere woorden de inschatting van het netto tewerkstellingseffect: hoeveel van die jobs bestonden al voor de invoering van dienstencheques en hoeveel zouden er sowieso gekomen zijn zonder? Marx en Vandelannoote schatten dit in op 50%, maar zonder veel argumenten aan te brengen. Dit is een onwaarschijnlijk hoog cijfer. Het is juist dat 50% van de werknemers instromen vanuit een werksituatie maar het betreft 5% zwartwerk, 7% uitzendwerk, 7% tijdelijk werk en maar 27% tewerkstelling van onbepaalde duur. Zomaar zeggen dat het in al die gevallen om substitutie gaat, is te kort door de bocht. Heel wat van de nieuwe instromers werden immers ontslagen, of hun contract werd niet verlengd of ze verloren hun job na herstructurering (37%). Hoogst waarschijnlijk waren deze mensen tijdelijk werkloos  geworden als ze geen job hadden gevonden via dienstencheques. Tot slot nam een hoog percentage zelf ontslag (46%).  Ook hier gaat het niet op om de jobs als verloren te catalogeren: het is niet omdat een werknemer een job verlaat dat de job zelf verdwijnt.

Het aantonen van substitutie-effecten is altijd problematisch, maar uit de aard van de taken - die voor de introductie van de dienstencheques niet of nauwelijks bestonden op de reguliere ongesubsidieerde arbeidsmarkt - kan men aannemen dat die meevallen. In veel gevallen waren gebruikers mensen die ofwel geen hulp hadden in het huishouden ofwel iemand in het zwart tewerkstelden. Huishoudhulp was wel al mogelijk via het reguliere circuit in het kader van de gezins- en ouderenzorg. Het is niet uitgesloten - zelfs waarschijnlijk - dat daar substitutie heeft plaatsgevonden of dat personen zonder dienstencheques zich op deze manier inschakelden. Het gaat hier echter om een gesubsidieerde sector zodat we eerder van verschuiving van subsidiëring kunnen spreken, eerder dan substitutie.

We kunnen de substitutie-effecten ook omgekeerd benaderen. Stel dat het systeem van de dienstencheques morgen wordt afgeschaft: hoeveel gebruikers zullen via het reguliere niet-gesubsidieerde arbeidscircuit nog een beroep doen op dienstencheques? De prijs voor één uur poetsen zou dan 22,04 euro per uur bedragen. Allicht zullen heel weinig mensen dit bedrag willen of kunnen betalen.

3. Conclusie
Het is onwaarschijnlijk dat het substitutie-effect groter is dan 10%. Bovendien moeten we rekening houden met de indirecte tewerkstelling via het omkaderingspersoneel (4.622 nieuwe jobs volgens de evaluatie 2012 Idea-Consult). Tenslotte bedraagt de nettokost voor de overheid 56% van de brutokost. Op basis van deze cijfers en de brutokost per voltijdse werknemer (zie hoger onder 1.) is het realistischer om de kostprijs per voltijdse gecreëerde job met dienstencheques in te schatten op maximaal 15.000 euro op jaarbasis.