Kortrijks OCMW-voorzitter Philippe De Coene bepleit de methode van "armoedebestrijding aan huis" 

Philippe De Coene (sp.a) is OCMW-voorzitter in Kortrijk.

Kind en Gezin maakte gisteren de zogenaamde kansarmoede-index van alle Vlaamse gemeenten bekend. Prima. Maar het zou nog beter zijn mochten die gemeenten voortaan weten wie de mensen achter de cijfers zijn. Dan kunnen ze, gerichter dan ooit, samen met de betrokken gezinnen werken aan een doorgedreven en resultaatgerichte aanpak.


Er is geen oorzakelijk verband tussen de jaarlijkse index en de lokale inspanningen (of het gebrek eraan)


Geïnteresseerde gemeentebesturen wachten elk jaar met klamme handjes op die index van Kind en Gezin. In een gemeente waar de cijfers dalen, heeft het bestuur de neiging om zich op de borst te kloppen. Stijgende cijfers dienen plaatselijk dan weer als munitie om er het bestuur het vuur mee aan de schenen te leggen.

De cijfers worden daarmee echter oneigenlijk gebruikt en dus niet waarvoor ze bedoeld zijn. Kind en Gezin zelf laat gemeenten weten dat "de kansarmoede-index minder geschikt is om het succes van allerhande lokale inspanningen op korte termijn te meten". Anders gezegd, er is geen oorzakelijk verband tussen de jaarlijkse index en de lokale inspanningen (of het gebrek eraan). 

Nuttig instrument

Neem nu Kortrijk, een stad waarvan ik durf te zeggen dat er een doorgedreven armoedebeleid wordt gevoerd. Eerst daalde het cijfer fors, om vervolgens weer te stijgen. En dat ondanks een niet-aflatende aanpak met meer dan volgehouden inspanningen.

Ook armoededeskundige en professor Wim Van Lancker wijst op een verkeerd gebruik. Bij de lancering van de kansarmoede-index in 2017 tweette Van Lancker: "Als de nieuwe armoedecijfers van Kind en Gezin iets duidelijk maken, dan wel dat ze ongeschikt zijn om het effect van lokaal beleid te meten."

Deze vaststelling mag de lokale besturen evenwel niet verleiden om bij de pakken te blijven zitten ("Die cijfers? Daar hebben we toch geen vat op"). Meer nog, die metingen kunnen voor gemeenten een bijzonder nuttig instrument zijn in de lokale strijd tegen armoede.


Wie zijn die mensen? Laat het ons weten, zodat we met veel respect en inlevingsvermogen een traject kunnen afleggen dat de gezinnen sterker maakt


In Vlaanderen en in steden en gemeenten beschikken we over niet al te veel cijfermateriaal over de staat en de evolutie van armoede. En dat terwijl er een gereputeerde organisatie als Kind en Gezin is die jaar na jaar gaat meten in alle gezinnen, jawel álle gezinnen, waar een kind is geboren. Die metingen gebeuren niet alleen systematisch maar ook met veel ernst en metier. Chapeau hiervoor.

Er zit, met andere woorden, veel meer gebruikswaarde in die metingen dan we vandaag vermoeden. Daarom durf ik ook de bal terug te kaatsen. Als de cijfers niets leren over de gemeentelijke inspanningen, dan kunnen de gemeenten misschien iets leren van de cijfers en vooral van de mensen achter die cijfers. Wie zijn die mensen? Laat het ons, mét hun instemming, weten. Zodat we met veel respect en inlevingsvermogen een traject kunnen afleggen dat de gezinnen sterker maakt en meer en beter doet participeren. Zodat we, kortom, ons niet neerleggen bij de zaken.

Hulpverleners


Naar schatting tweeduizend mensen hebben we in Vlaanderen en de gemeenten nodig om de gezinnen te bereiken en te helpen


In Kortrijk wordt trouwens al volop geëxperimenteerd met die aanpak. Het OCMW en het Centrum voor Sociaal Beleid van de Universiteit Antwerpen (onder leiding van prof Wim Van Lancker) meten over drie jaar de resultaten van armoedebestrijding aan huis bij gezinnen.

Hoe gebeurt dat? Kind en Gezin legt de eerste link tussen een gezin in kansarmoede en de stad. Die stelt vervolgens een casemanager, een hulpverlener die ook een uniek aanspreekpunt is, ter beschikking van het gezin. Een wetenschappelijk team meet of er resultaten geboekt worden en, voor de volledigheid, Europa en de stad financieren de hele operatie. 

Nuttig om weten: tot nu stond elk gezin zeer open voor de medewerking. En zonder vooruit te lopen op de aangekondigde resultaten, stellen we vast dat deze methode minstens een hoopvolle band legt tussen een gezin in armoede en lokaal bestuur.

Daarom een oproep aan Vlaanderen en Kind en Gezin om die aanpak te vermenigvuldigen: geef ons niet alleen de procenten, maar vooral de mensen achter die procenten.

De bestrijding-aan-huismethode veronderstelt trouwens een stevig politiek engagement. Naar schatting tweeduizend mensen hebben we in Vlaanderen en de gemeenten nodig om de gezinnen te bereiken en te helpen. Het opnieuw gestegen Vlaamse armoedecijfer van Kind en Gezin zou ons hierbij moeten motiveren.