In het licht van de aanhoudende vluchtelingenstroom vanuit Syrië en de blijvende oorlogssituatie in grote delen van het Midden-Oosten verdienen twee recente leveringen van militair materiaal vanuit Vlaanderen iets meer aandacht dan ze tot nu kregen, schrijft Vlaams parlementslid Tine Soens (sp.a).

In september vorig jaar zette minister-president Bourgeois zijn handtekening onder de levering van twee militair toegeruste graafmachines naar Syrië. Ach, het waren maar graafmachines, haalde de minister-president zijn schouders op. Tja. Waarom staan die tuigen dan op de militaire lijst? En is er echt zo veel verbeelding nodig om in te schatten wat een leger in een door burgeroorlog verscheurd land verkeerd kan doen met graafmachines?

In januari pakte Bourgeois dan weer uit met het nieuws dat hij een levering van beschermingspakken tegen chemische wapens aan het Saoedische leger had geweigerd. Mooi zo. Alleen vergat hij erbij te zeggen dat hij in november 2014, amper 14 maanden eerder, exact dezelfde levering wel toestond.

Alsof er toen nog geen sprake was van onrust in de regio, of van mensenrechtenschendingen door het regime, argumenten waarop hij zich vandaag beroept om de levering te weigeren. Het enige verschil is dat de brandhaarden in het Midden-Oosten in 2014 nog niet zo prominent op de radar van de Vlaamse media stonden.

Als de twee voorbeelden iets aantonen, dan is het wel dat er dringend een breed debat nodig is over de regels rond de uitvoer en doorvoer van wapens en militair materiaal.

Het is ondertussen dertien jaar geleden dat Vlaanderen bevoegd werd voor de controle op de wapenhandel en de handel in strategische goederen. De wapenhandel werd in 2003 geregionaliseerd nadat er communautaire hetze ontstond over export vanuit de wapenfabriek in Herstal naar Nepal.

Bijna tien jaar daarna werd in het Vlaams Parlement een Wapenhandeldecreet goedgekeurd. Ondertussen zijn we drie jaar verder en is het duidelijk dat het decreet zijn verdiensten heeft, maar vooral ook dat het voor een aantal problemen geen sluitende oplossing biedt.  

Zo ontstond er in het Vlaams parlement naar aanleiding van de executie van 47 mensen in Saoedi-Arabië, begin dit jaar, opnieuw discussie over de wenselijkheid van wapenembargo’s tegen landen die manifest de mensenrechten schenden.

Partijen uit meerderheid en oppositie zijn het erover eens dat de handel in militair materieel met Saoedi-Arabië on hold gezet moet worden.

Maar vandaag laat het wapenhandeldecreet dat niet toe, en de minister-president en zijn N-VA verschuilen zich daar achter om niets te doen. Wel bestaat er sinds de Arabische Lente een on hold-lijst, een administratieve praktijk waarbij er op voorhand wordt gezegd aan bedrijven die handel willen drijven met landen op die lijst: ‘Begin niet aan de procedure om een vergunning te vragen, op basis van de criteria uit het Wapenhandeldecreet zal de vergunning toch niet worden goedgekeurd.’

Ik vind dat die administratieve praktijk een verankering in het decreet zou moeten krijgen, en dat Vlaamse wapenembargo’s de facto dus mogelijk moeten worden gemaakt. In het parlement heeft minister-president Bourgeois gezegd dat hij exact het omgekeerde wil doen: hij wil helemaal afstappen van het on hold-beleid. Hij wil de handen dus volledig vrij houden om desnoods toch leveringen aan landen als Syrië en Saoedi-Arabië te vergunnen.

Dat staat haaks op een andere doelstelling die het wapenhandeldecreet zou moeten realiseren: maximale transparantie. Vandaag bieden de halfjaarlijkse en jaarlijkse verslagen nauwelijks enige informatie. Ook op dat punt bestaat er een administratieve praktijk om maandelijks een verslag online te plaatsen van de gegunde en geweigerde vergunningen.

Dat biedt het parlement en de media op zijn minst de mogelijkheid om kort op de bal te spelen en kritische vragen te stellen bij twijfelachtige dossiers. Maar ook daar gaat de huidige Vlaamse regering op de rem staan. Het is pas na lang aandringen van onze kant en een jaar wachten dat de maandelijkse verslagen van 2014 en begin 2015 online verschenen.

Het parlement loopt voortdurend achter de feiten aan en kan zijn rol van controle-instantie niet naar behoren spelen. Bovendien is de informatie die in de maandelijkse verslagen verschijnt vaak onvoldoende.

Wij vragen dan ook dat de bevoegde minister, zeker over gevoelige dossiers, transparanter en vroeger communiceert met het parlement. Het zou goed zijn om ook daarover een nieuwe bepaling in het decreet te voorzien.

Gek genoeg zien we sinds de invoering van het Wapenhandeldecreet een forse daling in de exportcijfers van Vlaanderen. Dat betekent helemaal niet dat er minder uitgevoerd wordt, wel dat we de controle verloren hebben over een belangrijk deel van de uitvoer. Door soepeler definities valt een deel van wat vroeger vergunningsplichtig was, vandaag niet meer onder de bepalingen van het decreet en moet er dus geen vergunning meer voor aangevraagd worden. Volgens het Vlaams Vredesinstituut ontsnapt op die manier de helft van de vroeger gecontroleerde export aan het toezicht van de Vlaamse overheid. Er moet nagegaan worden hoe we opnieuw meer controle over zo’n gevoelige goederen kunnen krijgen.

En tot slot kom ik tot het grootste probleem in de huidige regelgeving: van de meeste wapenleveringen weten we niet eens wie de eindgebruiker zal zijn. Officieel worden die goederen uitgevoerd naar wapenfabrieken in het buitenland. Aan wie die fabrieken vervolgens leveren, wil of kan niemand zeggen. Het is het land waar die fabriek gevestigd is, dat beslist over de verdere uitvoer. Het is dan nog maar de vraag of die landen dezelfde strenge beoordeling maken als de Vlaamse overheid.

Op die manier is het zeer waarschijnlijk dat onze Vlaamse producten in verkeerde handen vallen. Zo kan het dat het Saoedische leger vandaag ziekenhuizen van Artsen Zonder Grenzen in Jemen bombardeert met gevechtsvliegtuigen waarin Vlaamse componenten zijn verwerkt.

Al die elementen samen bewijzen voor mij dat het hoog tijd is om het beleid inzake wapenuitvoer op cruciale punten bij te sturen. Ik heb alvast mijn voorstellen daarvoor ingediend in het parlement.

Terwijl de meerderheidspartijen blijven discussiëren over wel of geen embargo tegen Saoedi-Arabië, hoop ik dat mijn conceptnota de basis kan worden voor een gefundeerd debat en wezenlijke aanpassingen aan het decreet.

Want het is aan de wijze waarop een overheid met een bevoegdheid als wapenhandel omgaat, dat men kan afmeten of ze een partner is met zin voor verantwoordelijkheid of niet. Het is aan haar wapenbeleid dat men kan zien of het de Vlaamse Regering menens is met vrede, veiligheid, mensenrechten en duurzame ontwikkeling. Economische belangen en de belangen van onze bedrijven spelen natuurlijk een rol, maar kunnen nooit primeren op mensenrechten.

Deze opinie verscheen eerder op MO*