In elk debat over het budget voor de gezondheidszorg valt snel de term ‘groeinorm’.  Dit wettelijk vastgelegd percentage bepaalt de jaarlijkse stijging van het gezondheidsbudget. In het verleden lag deze norm op 4,5%. Onder de regering-Di Rupo werd dit teruggebracht naar 3%, de regering-Michel beknibbelde er verder op tot 1,5%.  Maar, zo beloofde minister Maggie De Block, ‘deze krappe norm zou absoluut en stabiel blijven’. En meer nog, besparingen zouden de patiënt niet raken. Maar is dat wel zo? Hoe staat het met de groeinorm? En verliep de operatie pijnloos? In deze blog geven we daar een antwoord op.

De krimpende norm

Als berekeningsbasis voor het budget gezondheidszorg vormt de begrotingsdoelstelling van het voorgaande jaar de basis. Door de zesde staatshervorming werd ook een correctie toegepast voor de bevoegdheidsoverdrachten. Daardoor was het basisbedrag voor gezondheidszorg 23,4 miljard.  Als het budget met 1,5% mag groeien (=groeinorm) is de berekening eenvoudig: 350,5 miljoen euro in 2016.
Om na te gaan of de groeinorm werd nageleefd, volstaat het om er de begroting 2016 van de regering bij te nemen.  En wat zien we? Een negatief resultaat van meer dan 100 miljoen euro in januari. En begin van de maand deed minister van Volksgezondheid Maggie De Block er nog een schepje bovenop.  Aan het verzekeringscomité van het RiZiv gaf zij mee dat een extra besparing van 84 miljoen volgt.

Opgeteld en samengevat is de groeinorm 0,72%. Minder dan de helft van de beloofde 1,5%. En dan is dat nog maar de voorlopige balans van het crashdieet waarop minister De Block de gezondheidszorg zet. Want als we  minister van Werk Kris Peeters mogen geloven, moet het ‘beste’ nog komen wat de besparingen betreft en ‘zullen we nog eens diep moeten snijden’. 

Snijden zonder bloeden

Met het hand op het hart beweert minister De Block dat de patiënt de besparingen niet voelt. Nuttig is om ook hier naar de feiten te kijken. In het eerste jaar van de besparingspolitiek van de regering-Michel werden verschillende toegangsmaatregelen - zoals de derdebetalersregeling voor chronisch zieken - geschrapt. Ook gingen de remgelden bij de tandarts en bij de specialisten flink omhoog.
Daar zal de minister, deels terecht, tegenover zetten dat de prijs van heel wat geneesmiddelen, ook voor de patiënt, daalt. Ook zet zij steevast een aantal patiëntvriendelijke initiatieven in de verf,  zoals maatregelen met betrekking tot de vruchtbaarheid na kanker en transgenderzorg.  Wat ze wel vergeet te zeggen is dat het geld daarvoor altijd binnen het budget van de gezondheidszorg zelf is gezocht.
Maar door het verhaal te verengen, ‘te framen’ tot die maatregelen gaat de minister voorbij aan een belangrijke realiteit.  De ontwikkelingen in de gezondheidszorg staan immers niet stil en ook de noden van de bevolking evolueren mee.  Naast blijven doen wat we vandaag doen, moet de groeinorm de gezondheidszorg bovenal de kans geven om gelijke tred te houden met die maatschappelijke evoluties.

Zonder zuurstof sterft de patiënt

Als arts weet minister De Block ongetwijfeld dat je de zuurstoftoevoer niet pijnloos kan afsnijden. De Belg is volgens de OESO al kampioen in het ‘betalen-uit-eigen-zak’. Deze situatie verbetert er niet op als noodlijdende ziekenhuizen hun supplementen blijven opdrijven. Ook evidente zaken als brillen, lezen en tandzorg zijn voor een (groot) deel van de mensen onbetaalbaar.  
De minister lijkt ook te vergeten dat medische innovatie, in de vorm van medicijnen of therapieën, door besparingen niet langer zijn weggelegd  voor de Belgische patiënt. De wetenschap staat niet stil.  Als ze zo voortdoet, zal topgeneeskunde straks hoe langer hoe meer iets worden voor de happy few.
Tot slot heeft een veranderende samenleving ook nieuwe behoeften.  Zo kan de palliatieve zorg in België de vraag absoluut niet bijbenen.  Nog schrijnender is de toestand in de geestelijke gezondheidszorg. In een samenleving waar 1/3de van het ziekteverzuim een mentale oorsprong kent en alle barometers wat geestelijke gezondheidszorg op rood staan, is het onaanvaardbaar dat psychologische hulp nauwelijks wordt terugbetaald.

Conclusie

Bij elke besparingsoefening deelt de gezondheidszorg in de klappen.  Van een stabiele groei van 1,5% is al lang geen sprake meer. In tijden van stijgende supplementen en stijgende remgelden is het niet vol te houden dat de patiënt de besparingen niet voelt. Bovendien   dreigt de innovatieve gezondheidszorg enkel iets voor de happy few te worden.  En zonder ruimte om te groeien, is de gezondheidszorg niet in staat om zich aan te passen aan de noden van vandaag. De nood aan psychologische hulp is groter dan ooit. 

Alleen door de groeinorm op peil te houden en de besparingsdrift stop te zetten, toont de minister dat ze écht zorg draagt voor haar mensen, haar inwoners. Dokter De Block kan de volgende weken en maanden bewijzen dat ze niet boven haar gewicht bokst in deze regering. Als ze echt wil tonen dat ze de mensen en inwoners van dit land die hulp en zorg nodig hebben niet in de steek laat, moet ze haar kar drastisch keren en haar budget niet bij elke begroting(scontrole) verder afbouwen.