Naar aanleiding van de opening van het Museum van het Kapitalisme in Gent, gaf Jan Cornillie, directeur van sp.a-studiedienst, onderstaande lezing. Vandaag – woensdag 29 juli – sluit dit tijdelijke museum in Gent (Ons Huis op de Vrijdagsmarkt) zijn deuren om (hopelijk) in een andere stad te herrijzen. Het Museum van het Kapitalisme is een interactieve tentoonstelling over ons economisch systeem, opgezet door jongeren voor jongeren én ouderen.

Jan Cornillie: “Het kapitalisme is de meest krachtige motor van de welvaartstoename en van ons geluk. Maar uit zijn eigen realiseert die dat niet. Daarvoor is meer nodig. Daarvoor is dit huis opgericht en strijden we al meer dan een eeuw voor een rechtvaardiger, duurzamer en gelukkiger samenleving.”

Wat is kapitalisme?

Het kapitalisme wordt doorgaans getypeerd door drie kenmerken:
1. Een productiesysteem waarbij productiemiddelen privaat eigendom zijn en ingezet worden om winst te maken en kapitaal te accumuleren
2. Kapitaal vereist inzet van arbeid. De waarde van arbeid, namelijk loon, wordt gezet door de markt
3. Goederen en diensten worden verhandeld in een markt met vrije prijszetting

In deze lezing ga ik in op deze drie kenmerken (bezit, arbeid en markt). Daarna ga ik in op de weldaden en de problemen van het kapitalisme. De rode draad doorheen het verhaal?  Kapitalisme is een zeer krachtige motor van welvaart en ontwikkeling, maar niet uit zichzelf. Alleen door correctie zorgt het voor een rechtvaardige, duurzame en gelukkige samenleving.

1. BEZIT

De gevolgen van de verspreiding van privébezit was een belangrijk onderwerp voor de vroegkapitalistische denkers. De eigendoms-en machtsstructuren van de feodale samenleving werden overhoop gegooid. Zoals filosoof Jean-Jacques Rousseau stelde: “De eerste die een stuk grond omheind had en zei “dit is van mij” en mensen dat kon doen geloven, is de werkelijke grondlegger van de politieke samenleving”. Die ontwikkeling is treffend gethematiseerd in het uitmuntende boek “Het rijk van de schaarste” van Hans Achterhuis (1) .

Het privébezit had verstrekkende gevolgen voor de economie én voor de staat. Voordien, in de prekapitalistische samenleving, werd de waarde van goederen bepaald door wat men kon gebruiken (gebruikswaarde). De kapitalistische samenleving veranderde de waarde der dingen naar de prijs waaraan men kan verkopen (ruilwaarde). De gebruikswaarde is inherent beperkt terwijl de ruilwaarde in principe eindeloos is.

a. Hobbes: natuurtoestand is oorlog van allen tegen allen

Thomas Hobbes (17e eeuw) reflecteerde op die omwentelingen in zijn meesterwerk “De Leviathan”. Het vrije bezitsindividualisme van de vroegkapitalistische samenleving zou eindigen in een oorlog van allen tegen allen. Want er staat geen rem op de begeerte om te bezitten en iedereen zou bezittingen van een ander voor zich willen. In zo’n samenleving is het menselijk bestaan “eenzaam, armoedig, afstotelijk, beestachtig en kort”. Hobbes zag de overdracht van onze vrijheid aan een absolutistische vorst als de enige uitweg. Want een staat die zelf verscheurd is door wedijver zou ook een instrument van oorlog in de strijd van de bezittingen worden. Dus moest de tegenmacht absoluut zijn.

b. Locke: natuurtoestand is overvloed, geld maakte einde aan de natuurtoestand
John Locke (ook 17e eeuw) had al meer vertrouwen in markt en staat om privé-eigendom te beschermen. Hij zag de staat als een contract tussen burgers - bezittende burgers, geen arbeiders – waarbij de staat vooral privé-eigendom moest beschermen en voor de rest de markt moest laten gedijen. Doet die staat dat niet goed, dan mogen de burgers in opstand komen. Dus de tegenmacht moest voor hem niet absoluut zijn maar was gebonden aan het contract.
Bovendien vertrouwde hij erop dat de markt de wedijver zou kanaliseren en voor vrede zou zorgen. Voor Locke was de resulterende ongelijkheid natuurlijk want resultaat van de eigen verdienste van de markt. Arbeid was in die optiek een bezit voor mensen zonder vermogen en kon ook zonder limieten verhandeld worden.

c. Marx: belofte van het overwinnen van de schaarste na kapitalisme
Karl Marx (19e eeuw) knoopte aan bij de analyse van deze omwentelingen. Daar waar voorheen een waar verhandeld werd voor geld waarmee andere waar kon gekocht worden (W-G-W) werd het nu fundamenteel anders. In de kapitalistische samenleving werd geld geïnvesteerd in een waar om er meer geld mee te maken (G-W-G).
Eigendom was eerst geëvolueerd van communaal naar feodaal. Met de zogenoemde enclosure of the commons, de privatisering van de gemene gronden, was de basis voor het kapitalistisme gelegd.
De arbeidsreserve, de massa paupers, zorgde voor een waarde van arbeid die lager lag dan de ruilwaarde. De surplus-waarde van de arbeid werd afgeroomd door de kapitalist en opnieuw geïnvesteerd voor verdere accumulatie van kapitaal.
Marx voorspelde dat in de ultieme communistische fase de bezittingen weer collectief zouden worden en de waarde der dingen opnieuw de gebruikswaarde zou zijn en niet de ruilwaarde. Hij schetste een toekomst van materiële overvloed: terug naar de gebruikswaarde en gezamenlijke productie.
Maar Marx had de dynamiek van de schaarste onderschat. Zelfs als de productiemiddelen collectief zijn, is de wedijver voor bezit niet verdwenen. Macht en prestige zijn ook een vorm van eigendom. Zoals John Kenneth Galbraith stelde “Under capitalism, man exploits man. Under communism, it's just the opposite.” De uitbuiting was misschien niet langer materieel, maar de dynamiek van uitbuiting bleef.

2. ARBEID

Kapitalisme start met uitbuiting van arbeid. De meerwaarde van de arbeid wordt afgeroomd en is voor de kapitalist. Technologische vooruitgang heeft de meerwaarde van arbeid enorm vergroot. In het pre-industrieel tijdperk was die lange tijd beperkt. Met de industriële revolutie, de drijfkracht en verdere technologische ontwikkeling begon de productiviteit exponentieel te stijgen.
De vraag is naar wie die meerwaarde gaat. Marx ging ervan uit dat het deel dat voor het loon van de arbeider zou dienen, behoorlijk laag zou blijven. Maar daarmee heeft hij onderschat hoe het kapitalisme gecorrigeerd kon worden, zonder het te verlaten als productiesysteem. Sociale strijd en de opbouw van de welvaartsstaat hebben gezorgd dat de stijging van de productiviteit ook aan de arbeiders ten goede kwam in de vorm van loon- en welvaartsstijging.
Dat is niet vanzelf gegaan. Het kapitalisme heeft zichzelf niet gecorrigeerd. De correctie was het resultaat van sociale strijd. Maar het kapitalisme heeft de correctie wel meer dan overleefd: de welvaartsstaat zorgde voor de evolutie naar een consumptiemaatschappij en een uitbreiding van het kapitalisme naar nieuwe delen van de bevolking en nieuwe delen van het economisch leven.
Elke nieuwe technologische omwenteling heeft de wereld van kapitaal en arbeid voor uitdagingen gesteld en de meerwaarde minstens tijdelijk verlegd. Tot sociale en politieke correcties er voor zorgden dat die meerwaarde werd ingezet voor een verhoging van de welvaart voor brede lagen van de bevolking.
Nu zitten we met de digitale revolutie opnieuw in een fase van concentratie van kapitaal. Er wordt veel meerwaarde gecreëerd, door Google en Facebook en andere digitale ondernemingen, maar de omzetting naar loon en verspreiding van de welvaart verloopt moeilijker. Dit stelt opnieuw een uitdaging aan de sociale strijd.

3. MARKT

Het derde kenmerk van het kapitalisme is handel op een markt met vrije prijszetting. Het vrije marktdenken is wijd verspreid, maar eigenlijk is het al 30 jaar achterhaald. De mythe van het vrije marktdenken is wetenschappelijk doorprikt, door economen zoals Joseph Eugene Stiglitz. Het is interessant om zien hoe het vrije marktdenken politiek nog steeds dominant is, ondanks die wetenschappelijke tegenspraak.
Er zijn vijf domeinen waarin wetenschappelijk aangetoond werd dat de vrije markt inherent suboptimaal is en correctie vraagt (2).
a. De mythe van het ‘rationele individu’ klopt niet: economisch gedrag is adaptief en rationaliteit is context gebonden. In de praktijk hebben we gezien dat geloof in de mythe van de rationele belegger geleid heeft tot kuddegedrag die allesbehalve economisch was.
b. Onvolledige of onjuiste informatie vertekent de prijszetting. Dat is wetenschappelijk aangetoond met voorbeelden van 2de handsmarkten en huisprijzen, maar evenzeer de inschatting van de duur en de kost van werkloosheid. De verzekeringsmarkten voor gezondheidszorg bijvoorbeeld zijn inherent onstabiel, omdat door selectie de slechte risico’s worden uitgestoten en enkel de goede risico’s worden verzekerd. Maar dan heeft de verzekering finaal geen zin meer en klapt ze in elkaar. De gezondheidszorg in de VS is daar het voorbeeld van: veel duurder voor een kleinere groep verzekerden dan in verplichte universele verzekeringssystemen in Europa. Tenslotte zorgt ‘moral hazard’ voor afwenteling van risico’s op de gemeenschap en privatisering van de voordelen. De financiële crisis is daar een episch voorbeeld van.
c. Coöperatie: de markt voor publieke goederen is niet stabiel door de dynamiek van het gevangenisdilemma. Coöperatie wordt niet beloond maar gebrek aan coöperatie laat finaal iedereen achter in een suboptimale toestand.
d. Coördinatie: zonder technologische standaarden werken markten niet goed en wordt er veel geïnvesteerd in concurrerende technologieën.
e. Kennis: de markt zorgt uit zichzelf niet voor voldoende onderzoek en innovatie. Een recent boek van economieprofessor Mariana Mazzucato (Ita) over de ondernemende overheid stelde : “De overheid is de beste kapitalist maar vergeet winst te vragen.” Grote technologische doorbraken zijn er niet door de markt gekomen maar na lange publieke financiering van voorafgaand onderzoek. De vrije markt werkt niet vanzelf maar moet gecorrigeerd worden. Anders implodeert ze.

4. WAAROM IS KAPITALISME GOED

Wat de markt wél goed doet, is informatie opnemen en toevoegen aan het systeem via de prijs. De enorme complexiteit aan kleine individuele economische beslissingen laat zich niet plannen. In een primitieve, industriële economie, met enkele basisproducten als staal, energie en voedsel, lukt dat nog. Maar in een consumptiemaatschappij lukt dat niet langer. Dat is de ondergang van het communisme geweest: geen administratie of computer kan de ontelbare economische beslissingen plannen die toelaten dat elk zijn welvaartskeuzes optimaliseert. Dat stelt ook een uitdaging voor de alternatieven voor het kapitalisme: hoe weten we waar te corrigeren? Hoe doen we dat efficiënt?
Het kapitalisme heeft gezorgd voor een ongelofelijke welvaartstoename. Laatst nog in China, dat een van de meest spectaculaire welvaartstoenames uit de geschiedenis kende.
Max Roser, van de universiteit van Oxford (3) , heeft de welvaartsverbeteringen sinds het begin van het kapitalisme en de industriële revolutie in kaart gebracht. Hij toont de verbetering in levensverwachting, geletterdheid en gezondheid. De resultaten zijn spectaculair.
a. Sinds de industriële revolutie is het aantal mensen in armoede met 80% gedaald. Bovendien is de sterkste daling in de armste landen, dus is er convergentie.
b. Ondervoeding is sterk verminderd, ook door minder variatie in de voedselprijzen door internationale handel.
c. De levensverwachting is overal met 20 tot 50 jaar gestegen. In Engeland is die van 31 jaar naar 81 jaar gegaan tussen 1800 en 2010. In India van 25 tot 65 jaar in 100 jaar tijd.
Er is een duidelijke link met de introductie van het kapitalisme: landen die het eerst een kapitalistische economie invoerden, kenden het vroegste welvaartsstijgingen. Sinds 1800 in Europa en de VS, sinds 1950 in de ontwikkelingslanden en sinds 1980 in China. China was straatarm na de Culturele Revolutie. Slechts na de marktopeningen onder Deng Xiaoping is de welvaart er beginnen toe te nemen. Intussen zijn er 300 à 400 miljoenen Chinezen uit de armoede gehaald.
Maar: deze welvaartstoename is er niet vanzelf gekomen. Kapitalisme was een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde. De sociale strijd en de uitbouw van de welvaartstaat hebben de welvaartstoename veralgemeend en versterkt.

5. WAT IS ER MIS MET HET KAPITALISME

Het kapitalisme levert niet vanzelf de samenleving die we voor ogen hebben. Voor de komende jaren en decennia zijn er vijf uitdagingen.
a. ongelijkheid
Zoals Thomas Piketty (4) in zijn bestseller ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’ aantoonde, leidt het kapitalisme spontaan tot meer ongelijkheid. Hij baseert die voorspelling op het feit dat doorheen de geschiedenis het rendement op vermogen ® groter is dan de reële inkomensgroei van de bevolking (g). Tussen de eerste wereldoorlog en de oliecrisis, was die wet ( r > g) het zwakst door een herverdelend fiscaal en sociaal beleid. Maar sinds de jaren 80 evolueren we opnieuw naar een 19de eeuwse niveau van ongelijkheid. In de VS is de ongelijkheid nu al groter dan voor de Eerste Wereldoorlog. In Europa nog niet, maar we gaan er naar toe en met de economische crisis is de tendens versneld. Het kapitalisme corrigeert die ongelijkheid niet spontaan: fiscaal en sociaal beleid moet een tegenmacht zorgen om wenselijker niveaus van gelijkheid te bereiken.
b. armoede

Wereldwijd gaat de armoede achteruit maar in de ontwikkelde landen met de minste armoede, in Europa en de VS, zien we een sterke stijging van de armoede na de crisis, niet het minste bij werkende armen. De welvaartsstaat die goed is voor 20-30% sociale uitgaven en de armoede met 1/4de tot 3/4de vermindert, is op dit moment niet bij machte om die stijgende armoede op te vangen. Nochtans blijft de welvaart toenemen. Wereldwijd is er vooruitgang door onder meer de Millenniumdoelstellingen. Maar niet genoeg. Met de huidige welvaart zouden we armoede sneller kunnen wegwerken en die doelstellingen bereiken.
c. duurzaamheid
Het kapitalisme heeft voor een sterke welvaartstoename gezorgd, maar de gevolgen voor het milieu zijn catastrofaal. Zo is het grootste en meest globale probleem de klimaatverandering. Bij ongewijzigde ontwikkeling wordt de doelstelling van de VN - de stijging beperken tot 2 graden om  doemscenario’s te vermijden, onmogelijk gehaald. De spontane technologische vooruitgang in het kapitalisme is niet voldoende om een doorbraak te realiseren op vlak van klimaatverandering. Hier is nood aan een fundamentele correctie, politiek gestuurd met behulp van nieuwe technologieën.
d. schuldenopbouw
Het kapitalisme heeft de neiging tot cycli van schuldopbouw en crash. De recente financiële crisis is daar een voorbeeld van. De banken werden vrij gelaten, de risico’s werden verpakt en herverpakt, en de voordelen werden door de bankiers opgestreken. Na de crash betaalt iedereen mee door de overname van de private schuld door de overheden. Dat probleem van ‘moral hazard’ is eigen aan het financiële kapitalisme en moet een sterk antwoord kennen.
In de laatste schuldencrisis, van Griekenland, zien we nu net het omgekeerde. We kennen een soort moralistisch macro-economisch beleid waarbij de verantwoordelijkheid enkel ligt bij burgers en overheden die geld lenen en niet langer bij de banken die geld ontlenen. Griekenland moest gestraft worden, omdat het teveel geld heeft geleend. Bankiers worden niet gestraft als ze op een onverantwoorde manier geld beheerden.
e. geluk
Tot slot leidt kapitalisme niet vanzelf tot geluk. Finaal is geluk de bestaansreden van onze economie, van het overheidsingrijpen, van ons leven. Het is wetenschappelijk aangetoond dat periodes van sterke welvaartstoename voor minder geluk zorgen dan dat periodes van crisis voor ongeluk zorgen. Het is dus rationeel om ons te verzekeren tegen pieken en dalen van economische activiteit. Stabiliteit heeft een waarde en het kapitalisme biedt die stabiliteit niet. Die moet worden gerealiseerd door sociale en politieke correctie van de kapitalistische economie.

Het kapitalisme is de meest krachtige motor van de welvaartstoename en van ons geluk, maar uit zijn eigen realiseert die dat niet. Daarvoor is meer nodig. Daarvoor is dit huis opgericht en strijden we al meer dan een eeuw voor een rechtvaardiger, duurzamer en gelukkiger samenleving.