Een boete tot 5.000 euro. Dat is wat nieuwkomers betalen als ze te weinig moeite doen om in te burgeren. Minister Liesbeth Homans (N-VA) noemt dat een zaak van rechten en plichten, en ze heeft gelijk. Inburgering vraagt een inspanning in twee richtingen. Wat we van de nieuwkomer verwachten is duidelijk: dat hij Nederlands leert en zo snel mogelijk een job vindt. Wat die van de overheid mag verwachten, is dat minder.

Het minste dat je mag verwachten is dat de overheid erop toeziet dat het wettelijke discriminatieverbod wordt nageleefd.

Zo weigert de Vlaamse regering om actief te strijden tegen discriminatie. Minder dan de helft van de mensen met een vreemde achtergrond heeft een job in Vlaanderen, een van de laagste cijfers in Europa. Wat voor zin heeft het om te investeren in inburgering en voortdurend te roepen dat nieuwkomers vanaf dag één aan het werk moeten, als je niet tegelijk garandeert dat de toegangspoort tot werk en wonen voor hen even wijd openstaat?

Het minste dat je mag verwachten is dat de overheid erop toeziet dat het wettelijke discriminatieverbod wordt nageleefd. En om discriminatie effectief aan te pakken, is een objectieve vaststelling van de feiten nodig. Daarvoor zijn er die praktijktests. Waarom blijft Vlaanderen die tegenwerken?

De les van Volkswagen

Vlaams minister van Werk Philippe Muyters (N-VA) beperkt zich tot sensibiliseren, wat vrijblijvende subsidies en vooral zelfregulering. De sectoren waarin discriminatie voorkomt mogen zelf controles organiseren, naar analogie met demystery callings in de interimsector. Zelfregulering is prima, maar mag nooit in de plaats komen van een gedegen overheidstoezicht. Het is ronduit naïef om te denken dat bedrijven zichzelf wel de duimschroeven zullen aandraaien. Discriminatiebestrijding kost moeite en het beperkt de vrijheid van werkgevers. Als we iets kunnen leren uit het Volkswagen-debacle, dan wel dat veel ondernemingen zoiets niet uit zichzelf doen. Meer zelfs: sommige zijn tot veel bereid om onder een wettelijke verplichting uit te komen.

Dit opiniestuk verscheen in De Standaard (06/10)