Al jaren proberen opeenvolgende regeringen de werkgelegenheid in ons land op te krikken om zo de vergrijzing betaalbaar te houden. Tegen 2020 is een werkzaamheidsgraad (1) van 73,2% het doel. Met de huidige werkzaamheidsgraad van 67,3 % betekent dat maar liefst 400.000 extra jobs.
Iedereen is het intussen eens dat wie jobs wil creëren de lasten op arbeid moet verminderen. Alleen is niet iedereen het erover eens welke soort lasten op arbeid we moeten verminderen, en vooral waar we het geld moeten halen om die lastenverlaging te financieren.
Om deze zogenoemde “tax shift” mogelijk te maken, worden we de laatste maanden om de oren geslagen met allerhande cijfers. Het lijkt wel een wedloop: wie tovert met welke maatregel de meeste jobs uit zijn of haar hoed? Zo zou de indexsprong in eerste instantie 80.000 jobs opleveren. Daarna kwam de Nationale Bank uit op 56.000 jobs en heel recent klokte het Planbureau af op 16.000. En een verschuiving naar consumptiebelastingen (btw en vervuiling) zou dan weer - naargelang de bron - meer of minder jobs opleveren dan een verschuiving naar kapitaal.
Kortom, niemand lijkt het nog precies te weten, terwijl in 2011 de Nationale Bank en het Planbureau samen een knappe studie maakten over het thema. In die studie vergelijken wetenschappers de verschillende soorten lastenverlagingen op arbeid én verschillende manieren om die lastenverlaging te betalen.
In deze blog maken we een overzicht van de resultaten van die studie voor maatregelen die op dit moment aan de orde zijn. Welke financiering brengt het meeste op? Welke lastenverlaging levert de meeste jobs? Vooraf geven we mee dat onderstaande simulatieresultaten ‘maar’ simulatieresultaten zijn en dus afhankelijk van het model (2) en de hypothesen (3). Er zit een zekere fout op, wat betekent dat we eerder naar grootorde moeten kijken dan naar exacte cijfers.

1. Waar geld halen om lasten op arbeid te verlagen?
Elke financieringsmaatregel kost ook jobs. Deze zin leest krom, maar het is de realiteit: je haalt immers geld uit de economie. Daardoor consumeren we met zijn allen minder, is er minder geld voor bedrijven om te investeren, waardoor ze geen jobs kunnen creëren (of zelfs mensen moeten afdanken) en uiteindelijk de werkgelegenheid daalt. De vraag is dus: welke financieringsmaatregel heeft het minste negatieve effect op tewerkstelling en dat voor een identieke opbrengst? Het Planbureau en de  Nationale Bank simuleerden de maatregelen met eenzelfde ex ante opbrengst van 0,5% van het BBP (ongeveer 2 miljard in huidige termen). Door de verschillende job- en terugverdieneffecten levert dat telkens verschillende ex post-opbrengsten. Om écht te vergelijken, berekenden we op dezelfde basis het jobverlies per procentpunt BBP ex post opbrengst (4).

5. Een btw-verhoging leidt tot hogere prijzen die de index verhogen en via het automatisch indexeringsmechanisme leiden die tot loonsverhogingen. 
6. De btw-verhoging leidt tot hogere prijzen die niet tot loonsverhogingen leiden omdat dit prijseffect uit de index wordt gefilterd.
7. Dit is een maatregel waarbij de voorziene indexatie van de lonen volledig naar de overheid gaat.

De conclusie is duidelijk: voor eenzelfde ex post opbrengst kosten btw, accijnzen, CO2-tax en de indexsprong het meeste jobs. De vennootschapsbelasting, roerende voorheffing en personenbelasting het minst. De reden is niet ver te zoeken: de eerste inkomstenbronnen halen het geld meer bij de lagere inkomens. Terwijl de vennootschapsbelasting, roerende voorheffing en de progressieve personenbelasting de centen relatief meer bij de hogere inkomens halen. Aangezien lagere inkomens een veel groter deel van hun inkomen consumeren, heeft een tax daar een veel groter negatief effect: zowel op consumptie, tewerkstelling als economische groei.

2. Welke lastenverlaging levert het meeste jobs op?
Elke overheidsuitgave (behalve in geval van import) of lastenverlaging creëert jobs: er komt geld in de economie waar mensen of bedrijven mee kunnen consumeren of investeren. Dat leidt tot extra tewerkstelling en extra groei.
De Nationale Bank en het Planbureau vergeleken drie scenario’s van lastenverlaging:
• een algemene lastenverlaging voor werkgevers
• een gerichte lastenverlaging voor werkgevers op de laagste lonen
• een lastenverlaging voor de werknemer, waardoor het nettoloon verhoogt
De maatregelen werden berekend voor eenzelfde ex ante kost aan de overheid van opnieuw 0,5% BBP (2 miljard euro). De ex post opbrengst is door de terugverdieneffecten van hogere tewerkstelling uiteraard lager. Om te kunnen vergelijken, rekenden we uit hoeveel jobs de maatregel per procentpunt BBP ex post kost oplevert en hoeveel de creatie van één extra job ex post aan de overheid kost (8).

Twee conclusies:

a. Een lastenverlaging voor werkgevers creëert meer jobs dan een lastenverlaging voor werknemers. Een vermindering van de bijdrage voor werkgevers verhoogt immers de vraag naar arbeid, terwijl een vermindering van de bijdrage voor werknemers het aanbod van arbeid verhoogt. Omdat de huidige werkloosheid aanzienlijk is, is er aanbod genoeg en moet je dus vooral werken op de arbeidsvraag (9).

b. Een lastenverlaging voor werkgevers gericht op lage lonen creëert ongeveer 1/3e meer jobs voor een zelfde overheidskost dan een algemene lastenverlaging. Want voer je een algemene lastenverlaging door, geef je korting op de loonkost van iedereen, dus ook van ingenieurs die nu al makkelijk werk vinden. Verhoudingsgewijs verspillen we zo onze middelen, zeker als we weten dat een gerichte korting voor laaggeschoolden - voor zij die nu moeilijk werk vinden - veel meer jobs oplevert.

3. De combinatie lastenverlaging-financiering: de tax shift
Door de combinatie lastenverlaging-financieringsmechanisme krijg je een cataloog met mogelijke tax shifts.

Bij deze combinaties voorzagen we een ex ante budget-neutrale hervorming. Ex post geven de vier tax shifts telkens een budgettair positief saldo, een toename van het BBP en een toename van het aantal jobs.

 

Maar echt vergelijkbaar worden de voorstellen pas bij eenzelfde ex post budgettair effect. We mikken op een budget-neutrale hervorming en voorzien een lastenverlaging waarvan de grootte zo is gekozen dat het totaal budgettair effect ex post nul is.

 

De resultaten spreken voor zich en verbazen niet als we financieringsmaatregelen en lastenverlagingen samen analyseren: een lastenverlaging voor werkgevers gericht op laagste lonen gefinancierd door inkomsten uit kapitaal creëren het meest jobs: 90 a 100.000. Een algemene lastenverlaging gefinancierd door een indexsprong creëert aanzienlijk minder jobs: 30.000 (10). De btw-tax shift waar minister van Financiën Johan Van Overtveldt aan denkt komt, op een vergelijkbaar aantal jobs uit.

4. Meest efficiënte jobcreatie  = jobcreatie van de overheid zelf
Bij de vergelijking van de lastenverlagingen gaven we aan wat de ex post kost is voor de overheid per gecreëerde job. In het beste geval (gerichte lastenverlaging voor lage lonen) is dat 12.800 euro per jaar. Maar als jobcreatie de doelstelling en graadmeter is, is er dan geen goedkopere manier om extra jobs te creëren?

We bekijken twee types jobs: een gemiddelde job en een laaggeschoolde job. We analyseren de budgettaire effecten voor de overheid wanneer iemand die werkloos was een job vindt bij diezelfde  overheid.

11. We nemen een voorbeeld met 2300 bruto/maand wat 1660 netto/maand betekent. 
12. We nemen een voorbeeld met 1900 bruto/maand wat 1465 netto/maand betekent.

 

Met andere woorden: als de overheid één iemand aanwerft die voorheen werkloos was, kost dat de overheid netto slechts 10.300 euro per jaar (gemiddeld) en zelfs maar 8.300 euro als het om een laaggeschoolde werknemer gaat. Het is dus efficiënter voor een overheid om zelf jobs te creëren (en zelf mensen aan te werven) dan te werken via lastenverlagingen voor werkgevers. De reden? Bij lastenverlagingen stijgt de winstmarge van bedrijven en gaat die niet volledig naar jobcreatie.

Waarom dus niet als overheid laaggeschoolden aanwerven om er extra overheidsdiensten mee te voorzien en dat financieren met een belasting op vermogenswinsten? We denken dan bijvoorbeeld aan stadswachten, straatvegers, groenwerkers, maar ook aan extra kinderopvang, (kleuter)onderwijs of taalcoaching.
De resultaten worden nog duidelijker als we bovenstaande tabel aanvullen met onderstaande twee voorstellen met een tewerkstellingsshift van inkomsten uit vermogen (RV) naar tewerkstelling van laaggeschoolden.

 

Overheidstewerkstelling van laaggeschoolden is dus wel degelijk de meest efficiënte/goedkoopste manier om jobs te creëren. Toch moeten we volgende bedenkingen maken bij onze conclusie:
• Ze geldt maar voor zover het telkens gaat om werklozen en er dus geen verdringingseffect opduikt. Dat zou immers de lonen in de privésector omhoog jagen en daar de werkgelegenheid doen dalen.
• Deze conclusie geldt wellicht meer in perioden van vraaguitval (zoals de laatste jaren en nu nog) en geldt minder in perioden van voldoende macro-economische vraag.
• Als de doelstelling niet (alleen) jobcreatie is, maar bijvoorbeeld ook het verhogen van de rendabiliteit van onze bedrijven (wat sommigen competitiviteit noemen), wijzigt de conclusie.
• De simulaties gebeurden met bepaalde modellen onder bepaalde hypothesen en gelden maar ‘marginaal’: je kan dit niet doortrekken door lastenverlagingen van bijvoorbeeld 5% BBP.

tabel_1.PNG