Er is te weinig geld voor de publieke dienstverlening. En dus voor het openbaar vervoer. Geen onschuldige vaststelling. Het betekent dat er de laatste jaren gekozen is om minder geld te spenderen aan vervoer voor ons allen. Er waren andere prioriteiten. Daar kunnen argumenten voor zijn. Of niet.

Wat als we het nu eens anders aanpakten? Als we per provincie en samen met de steden en gemeenten vastleggen wat onze inwoners kunnen verwachten van ons vervoer?

Het debat gaat nu echter een heel andere richting uit. Het wordt blijkbaar een keuze. Niet tussen meer of minder geld voor bussen, wél tussen stad en platteland. Want de steden moeten aanspraak maken op méér. En dat kan enkel als het platteland het stelt met minder. Alsof dat een natuurwet is. Ook verstandige hoofdredacteuren zoals meneer Desmet laten zich vangen aan deze schijndiscussie die de kloof tussen stad en platteland verder uitdiept. De burgemeesters die zich, terecht, beroepen op noodzakelijke investeringen (en laten we doorstroming dan ook niet vergeten) hebben evenveel recht van spreken als burgers en meesters van kleinere landelijke gemeenten. Als mijn gepensioneerde vader met het openbaar vervoer vanuit Nieuwmoer naar het ziekenhuis in Brasschaat wil gaan, dan kost hem dat een halve dag. Het goede nieuws is dan weer dat hij dagelijks met de bus van Nieuwmoer tot Kalmthout kan. Daar kon hij een decennium geleden alleen maar van dromen. Als mijn oudste zoon Oskar straks naar het hoger onderwijs in Antwerpen trekt, dan wil hij graag openbaar vervoer tussen de stadscampussen. En ook een goed draaiend nachtnet.

Ik wil geen keuze maken tussen de noden van mijn vader en mijn zoon. Tussen stad en platteland. We betalen in dit land belastingen voor openbaar vervoer. Ik verwacht dan ook van de Vlaamse overheid dat ze beiden bedienen. De discussie die nu wordt gevoerd is een foute. Eén waarvan je op voorhand weet wie het pleit zal beslechten. De mensen met de grootste megafoon.

Wat als we het nu eens anders aanpakten? Als we per provincie en samen met de steden en gemeenten vastleggen wat onze inwoners kunnen verwachten van ons vervoer? In de Noorderkempen brengt de provincie Antwerpen al langer gemeenten bij elkaar om een visie op mobiliteit uit te tekenen. We beslissen samen waarheen en hoe. Wat als we nu eens meer impact zouden hebben op het openbaar vervoer? We zouden dan 1 visie, gedragen door élke gemeente (niet alleen de grootste en luidste) ook in de praktijk kunnen brengen. Gek idee? Het openbaar vervoer meer in handen van de provincies geven? ’t Is maar hoe je ’t bekijkt. Bij de buren in Zeeland en Noord-Brabant is het al lang de normaalste zaak van de wereld.

Publieke dienstverlening is er voor iedereen. Als we het organiseren, dan doen we dat best ook samen. Zonder onderscheid tussen stedelingen en plattelandsbewoners, laat staan tussen autochtone “verankerde” bewoners van het platteland en de zogezegde “nieuwkomers” uit de steden. De ervaring leert dat zulke opsplitsing zelden tot oplossingen leidt. Nee, laten we dat soort discussies maar laten voor wat ze zijn. Polemiek. Als moeder, als dochter, als inwoner van Vlaanderen, als belastingbetaler, maar ook als provinciebestuurder: die keuze wil ik niet maken.