De Standaard : zaterdag 24 november 2007, door Lieven Sioen

  Voor Brussel en de francofonie

Het FDF is meer dan de communautaire scherpslijper Olivier Mangain. Het is ook een partij van Brusselse burgemeesters met een modern, progressief hoofdstedelijk project. Voorlopig rijmt de verdediging van de francofonie met het Brussels regionalisme. Een uitbreiding van het Brussels Gewest met de Rand zou de stad een broodnodige financiële injectie geven. Maar in de grond is het een paradox, die een ernstig project voor een meertalig en multicultureel Brussel blokkeert. 'Als de communautaristen de spanning ten top drijven, zullen de klappen in Brussel vallen.'Er is behoorlijk wat volk komen opdagen voor de conferentie van het Front Démocratique des Francophones (FDF) over Brussel-Halle-Vilvoorde. Een tachtigtal mensen, vooral 50-plussers, verzamelt in de abdij van Vorst voor een lezing door Eric Libert over 'de ware inzet van B-H-V voor de Brusselse gemeenten'.

Eric Libert is FDF-schepen van Sint-Genesius-Rode en een trouwe volgeling van Olivier Maingain. Sinds zes december trekt hij met zijn lezingen door Brussel en straks ook door Wallonië (Louvain-la-Neuve en Libramont). Bedoeling is de ongeruste Franstalige Brusselaar en bewonder van de Rand uit te leggen waarom de splitsing van B-H-V koste wat het kost vermeden moet worden. En als het onvermijdelijke toch op tafel komt, waarom dan in ruil daarvoor de uitbreiding van Brussel moet worden geëist. Dinsdagavond deed hij zijn verhaal in Etterbeek, vorige donderdag in Vorst. De uitnodigingen voor de lezing waren ook voor de Vlaamse gemeenten Dilbeek, Groot-Bijgaarden en Beersel bestemd.

Het was niet de Franstalige bourgeoisie die we aantroffen in de abdij van Vorst, wel hoofdzakelijk oudere mensen uit alle lagen van de bevolking. En ook hier weer veel ongerustheid in de zaal over het mogelijke einde van België en boosheid over het Vlaamse 'extremisme'. Een man staat verschillende keren op om, trillend van emotie, uit te leggen dat alle flaminganten ex-nazi's zijn. Dat er in Vlaanderen veel Hitlers rondlopen. Dat dit een gevaar is voor heel Europa, dat dreigt door 'la peste brune' te worden veroverd. En dat de Franstalige politici, het FDF inbegrepen, dat maar beter duidelijk kunnen maken in plaats van met die extremisten te discussiëren. Een andere luisteraar stelt Libert voor om als pasmunt in de onderhandelingen over de faciliteiten voor Franstaligen in de Rand, de rechten van de Vlamingen in Brussel in te trekken. Beiden krijgen groot applaus.

Maar Libert tempert. Hij wijst er zijn luisteraars op dat er een onderscheid is tussen het racistisch nationalisme van Vlaams Belang, en de overige Vlaamse partijen, die op weliswaar excessieve, maar democratische manier voor meer autonomie pleiten. 'We kunnen niet zeggen dat de Vlaamse partijen niet democratisch zijn, maar ze worden wel gestuurd door een flinke, soms excessieve dosis nationalisme.'

Libert verwerpt ook het idee om de rechten van de Vlamingen in Brussel als chantagemiddel in te zetten bij de onderhandelingen. 'Wij nemen geen bevolkingsgroep in gijzeling. We hebben andere troeven achter de hand. De Vlaamse honger naar meer autonomie is zo groot dat ik denk dat ze bereid zijn de grenzen van Brussel te herdenken.'

In deze zaal vol militanten verrast de toon van Libert al met al door zijn gematigdheid. Het is een toon die afwijkt van de vaak provocerende uitlatingen van Maingain of de teneur in het laatste nummer van het partijblad Perspectives Francophones, waarin het Vlaamse streven naar meer autonomie op één hoop wordt gegooid met het fascisme. Wat anders te denken van deze titel: 'Het uur van de keuze voor Vlaanderen. Het blijft binnen het kader van de democratie of het gaat ervan weg en riskeert zware ontsporingen.

Libert zal het na zijn lezing ontkennen, maar ik kan me niet van de indruk ontdoen dat hij zijn achterban voorbereidt op een communautair compromis. Op 'het aanvaarden van het onaanvaardbare', om iemand uit het publiek te parafraseren. Libert had zijn toehoorders eerst uitvoerig uitgelegd dat de splitsing van B-H-V onvermijdelijk het einde van België betekent. 'Want het is binnen B-H-V dat de politieke en sociologische identiteit van België zich situeert. Hier leven Vlamingen en Walen dooreen, hier vind je de meeste tweetaligen en de meeste gemengde huwelijken. Als de Vlamingen werkelijk de eenheid van België wilden behouden, dan zouden ze B-H-V niet splitsen. Bij splitsing, daarentegen, wordt de taalgrens een mogelijke territoriale grens. Dan staat niets de scheiding van het land nog in de weg.'

Maar het publiek weet ook wel dat de Vlaamse eisen duidelijk zijn. En dat als niemand buigt, het sowieso zal barsten. Daartegenover verdedigt Libert de dubbele strategie van een snelle regeringsvorming en daarnaast een forum 'waar alle eisen, zonder taboes, ter sprake komen, om verdere stappen te zetten in de staatshervorming'.

Libert neemt ook afstand van de houding van Joëlle Milquet (CDH), die hij een vergissing noemt. 'We hadden van meet af aan alles op tafel moeten leggen om tot een totaalpakket aan oplossingen te komen.' De Rodenaar zegt ervan overtuigd te zijn dat in zo'n totaalpakket de Vlaamse publieke opinie bereid zou zijn de splitsing van B-H-V te compenseren met een uitbreiding van Brussel. 'Het gevolg van het hardnekkig non van Milquet is dat de Vlamingen uiteindelijk in de kamercommissie hun meerderheid hebben gebruikt om het splitsingsvoorstel door te drukken. Daardoor hebben we de eerste veldslag verloren.' Maar niet de oorlog, en met die geruststellende gedachte laat hij zijn toehoorders weer naar huis gaan.

Achterhoedegevecht

'Het FDF voert een achterhoedegevecht en de Brusselse Rand is zijn laatste loopgraaf', zegt Guido Fonteyn, voormalig journalist van De Standaard en Walloniëkenner. 'In hun ogen gaat de francofonie in België voortdurend achteruit door de Vlaamse pletwals, le rouleau compresseur flamand. Die is beginnen te rollen in Oostende, over Gent en Antwerpen, en heeft nu de faciliteitengemeenten bereikt. Faciliteitengemeenten waar sinds de verfransing van België vanaf 1830 Frans de officiële bestuurstaal is gebleven, in tegenstelling tot de andere Vlaamse gemeenten, waar de vernederlandsing al vanaf 1840 was ingezet. Het optreden van minister Keulen tegen de FDF-burgemeesters heeft eindelijk het feodale tijdperk afgesloten.'

Het FDF is in 1964 opgericht als reactie tegen die vernederlandsing, en heel concreet tegen het vastleggen van de taalgrens in 1963. De stichters waren academici, mensen uit de Waalse beweging en politici uit de klassieke partijen. Tegen alle verwachtingen in won het FDF in 1965 al meteen vier parlementszetels, in 1968 zelfs negen, en joeg zo een elektroshock door het politieke landschap in Brussel heen. Aanvankelijk probeerden de drie klassieke formaties nog via een monstercoalitie de opmars van het FDF te stuiten. Maar in 1971 won het FDF ook de eerste verkiezingen voor de agglomeratie Brussel, de voorloper van het gewest. En in 1976 veroverde de nieuwe partij de absolute meerderheid in verschillende gemeenten in Brussel. Net die gemeenten en hun plaatselijke burgemeesters blijven tot vandaag de echte machtsbasis van het FDF.

Buiten Brussel heeft het FDF nooit voet aan de grond gekregen. Het vormde wel een front met het regionalistische Rassemblement Wallon, dat intussen zo goed als compleet verdwenen in Wallonië. Het FDF heeft dat gat nooit kunnen vullen en blijft een bij uitstek Brusselse partij, die door de Walen met argwaan wordt bekeken. Brusselaars die de verdediging van de hele francofonie claimen, dat lijkt veel Walen toch een beetje ongewenste bemoeizucht uit een onbeminde hoofdstad.

'Bij het FDF leeft tot vandaag het idee “Ils nous ont volé la Flandre,, zegt Fonteyn. 'Heel Franstalig België was van hen, en dat moeten ze stukje bij beetje prijsgeven. Vandaar die diepe overtuiging dat ze het grondgebied moeten verdedigen tegen het oprukkend flamingantisme. Dat uitte zich vroeger in het anti-Vlaamse beleid van Roger Nols, de burgemeester van Schaarbeek, of affichecampagnes met de tekst 'Brüssel Vlaams. Ca jamais', in gotische letters, alsof Brussel beschermd moest worden tegen het oprukkende Vlaams fascisme.'

'Maingain zit nog altijd in die lijn, ook al is de tegenstelling Vlaams-Frans in Brussel al lang achterhaald door de multiculturalisering van de stad. De Vlaamse Brusselaars staan wel open voor die evolutie, in tegenstelling tot de Vlamingen in de Rand. Die denken nog altijd dat Overijse een druivengemeente is, waardoor ze de strategische fout maken zich niet aantrekkelijk te maken voor de nieuwkomers. Ook Maingain wil geen meertaligheid. Hij is wat voorzichtiger geworden in zijn uitlatingen, maar zijn antiflamingantisme neigt naar racisme. Het is een strategie die nergens toe leidt.'

Provocateurs

'Het zijn provocateurs', zegt Guy Vanhengel (Open VLD), die minister van Begroting in de Brusselse gewestregering is en de vorige regeerperiodes in een coalitie met het FDF zat. 'Hun strategie verschilt fundamenteel niet van dertig jaar geleden. In naam van de verdediging van de rechten van de Franstaligen in Brussel en de Rand delen ze met de regelmaat van een klok een plaagstoot uit aan de Nederlandstaligen, goed wetende dat daarop prompt een reactie komt van TAK of Voorpost, waardoor de hele kermis de media haalt. En de Vlaamse politici tuimelen daar telkens weer met open ogen in, waardoor Maingain eens te meer de held van de Franstaligen is.'

Daartegenover moet Vanhengel wel erkennen dat hij binnen de Brusselse regering altijd heel goed heeft kunnen samenwerken met zijn FDF-collega Gosuin, die onder meer bevoegd was voor Milieu en Stadsvernieuwing. En dat FDF-burgemeesters als diezelfde Gosuin, in Oudergem, en Clerfayt, in Schaarbeek, hun gemeenten zeer goed besturen, met alle respect voor de Vlamingen en het wettelijke institutionele kader.

Het zijn burgemeesters met een open, toekomstgerichte visie op Brussel. Ook dat is een kenmerk van het FDF dat de Vlamingen vaak ontgaat, zegt Chantal Kesteloot, een historica die de beginjaren van het FDF bestudeerde.

'De zeer snelle groei van het FDF van nul zetels tot de absolute meerderheid in de agglomeratie Brussel en verschillende gemeenten in 1971 heeft heel zeker met de taalwetten te maken', zegt de historica. 'In het begin haalde het FDF vooral zijn stemmen bij de vele Waalse ambtenaren die in Brussel waren komen wonen en die plots door de quota voor Nederlandstaligen in de ambtenarij en de verplichte tweetaligheid hun carrière beknot of geblokkeerd zagen.

Maar het FDF was ook de eerste partij met een programma voor de stad Brussel, die in snel tempo aan het groeien en aan het veranderen was. Het was de partij die pleitte voor gelijkheid van man en vrouw, voor de legalisering van abortus, voor ecologische thema's en later ook voor het migrantenstemrecht. Kortom, in de jaren zestig was het FDF ook een fris alternatief voor de verzuilde, klassieke partijen, waardoor het FDF ook een jong, progressief publiek aansprak. Een beetje zoals de VU destijds.'

Het anti-Vlaamse profiel ontkent Kesteloot niet, maar ze wijst op de historische context. 'De Tweede Wereldoorlog lag nog niet lang achter ons, en plots zag de Franstalige burgerij weer Vlaamse leeuwen en trommels door de stad marcheren. De ontplooiing van de Vlaamse cultuur in Brussel werd toen als zeer kunstmatig en agressief ervaren. Niet alleen door het FDF, trouwens. Bij alle Brusselse partijen heerste een sterk anti-Vlaams gevoel.'

Naarmate de communautaire spanningen wegebden en ook de klassieke partijen steeds meer de kaart van het Brussels Gewest trokken, deemsterde het FDF weg. In haar glorietijd haalde de partij nog tien kamerzetels, sinds de jaren negentig zijn dat er nog amper twee of drie.

De figuur van Nols had op den duur het imago van de FDF ook bij de Franstalige kiezer zwaar beklad. Stichtende leden als Serge Moureaux stapten over naar de PS. Het discours van FDF leek ten einde.

Toch bleef de partij een begeerlijke partij voor met name de PRL. Het kwam tot een toenadering tussen Jean Gol en Antoinette Spaak, wat het kartel van Franstalige liberalen en het FDF de overwinning opleverde bij de Brusselse gewestverkiezingen in 1994. In 2002 fuseerden PRL en FDF onder impuls van de links-liberale Louis Michel tot de Mouvement Réformateur.

Het was een verstandshuwelijk, zegt covoorzitter Clerfayt van het FDF daarover, 'want op eigen houtje kon FDF niet langer overleven. Maar het was ook een liefdeshuwelijk, want inhoudelijk zitten we op dezelfde lijn.'

Tweede adem

Ook al blijft het FDF met amper twee kamerzetels een piepkleine formatie, voor de MR vertegenwoordigt het partijtje een noodzakelijk stemmenpotentieel om uit te groeien tot de grootste Franstalige partij, wat in 2007 ook lukte. Maingain kreeg aan de vooravond van een uitgesproken communautaire verkiezingsstrijd niet voor niets het lijsttrekkerschap in Brussel-Halle-Vilvoorde, waardoor zijn score verdubbelde ten opzichte van 2003. Vandaar ook het grote gewicht van Maingain bij de regeringsonderhandelingen. Vandaar ook dat het FDF binnen de MR een eigen entiteit blijft, waarbinnen Maingain zo goed als alleenheerser is.

En zo vond het FDF sinds de jaren negentig zijn tweede adem. Het bestuurde mee Brussel, tot 2004, en ontpopte zich met Gosuin tot een stadspartij die opkwam voor milieu, betere mobiliteit en een betere ruimtelijke ordening. Ondertussen liep sinds de omzendbrief-Peeters ook in de faciliteitengemeenten de spanning weer op, waardoor het FDF, en in het bijzonder de strekking-Maingain, zich ook weer op zijn klassieke terrein kon profileren.

'Binnen het FDF leven twee visies naast elkaar', zegt de politicoloog Jean-Benuit Pilet van de ULB. 'De francofone strekking, die de belangen van de Franstaligen in de Rand verdedigt. En de Brusselse strekking, die meer autonomie voor het gewest wil. Ze hebben elk hun kiespubliek: in de Rand een burgerij die weinig te maken wil hebben met de grootstad en die vooral op de taalkwestie is gericht. En in Brussel kiezers met een sociaal-liberaal en ecologisch profiel. Maingain vertegenwoordigt de eerste groep, Gosuin de tweede en Clerfayt zit wat tussen de twee in.'

'Dat leidt voorlopig niet tot spanningen, omdat er een duidelijke taakverdeling is. Maingain kiest voor het federale niveau, Gosuin voor het Brusselse. Ook inhoudelijk zijn de twee strekkingen voorlopig complementair. Een uitbreiding van Brussel, zoals Maingain om taalredenen wil, komt de financiering van Brussel ten goede, zoals de Brusselse regionalisten willen. En de bottomline van het FDF, waar alle mandatarissen het over eens zijn, blijft dat de taalgrens niet goed is getrokken.'

Op termijn echter, en zeker bij een verdere radicalisering, kan de gewestelijke logica van het FDF - een autonoom, goed bestuurd, multicultureel Brussel - botsen met de communautaire logica van een Franstalig front tegen een Vlaams front. 'Het FDF en de N-VA houden elkaar overeind', zegt Guy Vanhengel. 'Het is het harde communautaire discours in Vlaanderen dat Maingain de kans geeft te schitteren op zijn terrein. Het ergste wat nu zou kunnen gebeuren, is dat de communautaire vlam ook in de Brusselse pan slaat.' Die vrees leeft zelfs binnen de Brusselse FDF, met name bij Gosuin, die absoluut niet van het communautaire houdt, zegt hij. 'Ik pas ervoor om verder in die richting op te schuiven. Want als het tot een conflict tussen cultuurgemeenschappen komt, vallen de klappen niet in Oostende of Aarlen, maar in de straten van Brussel.'

Wij zijn een vrij progressieve partij,
Bernard Clerfayt, Schaarbeek

belga 
Schaarbeek is de op negen na armste gemeente van het land. Het wordt nog altijd achtervolgd door de reputatie van de anti-Vlaamse en racistische burgemeester Nols en van de even racistische en anti-Waalse ex-politiecommissaris Johan Demol, nu Brussels parlementslid voor Vlaams Belang.

Maar het gaat weer beter met Schaarbeek. De veiligheid is flink verbeterd, het straatbeeld ook, de schuldenlast is onder controle en vooral: de relaties tussen de verschillende gemeenschappen zijn hersteld. Ook tussen Vlamingen en Franstaligen. Dankzij een burgemeester van dezelfde politieke gezindte als wijlen Roger Nols: de FDF'er Bernard Clerfayt.

'Ik was bij de gemeenteraadsverkiezingen de kandidaat met de meeste Vlaamse stemmen', zegt Clerfayt (46) in uitstekend Nederlands. Clerfayt, die ook federaal parlementslid en copartijvoorzitter is, noemt zijn partij radicaal, maar niet extreem. 'Wij zijn niet racistisch, nationalistisch of separatistisch. Integendeel, we zijn een vrij progressieve partij, die als eerste een vrouwelijk voorzitter had en het eerste wetsvoorstel voor migrantenstemrecht indiende. De vergelijking met Vlaams Belang of zelfs N-VA gaat niet op.'

Clerfayt is het met Maingain volledig eens over de inhoud van de communautaire agenda van het FDF. Tegelijk wil hij in zijn gemeente geen conflicten creëren. 'Ik respecteer de taalwetgeving voor het gemeentelijk personeel. Maar ik heb er wel mijn bedenkingen bij. Voor de 10 procent Vlamingen in Schaarbeek moet een kwart van mijn gemeentepersoneel Nederlandstalig zijn, en bij de topfuncties de helft. Daarvoor moet ik tot in Oostende of Limburg kandidaten zoeken, terwijl hun Franstalige collega's hun carrière afgeblokt zien. Het decreet eist dat onze Vlaamse bibliotheek voorzien is op 30 procent Vlaamse lezers. Onze bibliotheek kost daardoor te veel geld, geld dat ik ook voor andere dingen zou kunnen gebruiken.' Want dat is het echte probleem van Brussel: 'Armoede, werkloosheid, onderwijs en de chronische onderfinanciering van het gewest. De Vlaamse Brusselaars zijn daar evenzeer het slachtoffer van.'

Moet die strijd dan niet de prioriteit genieten, in plaats van de verdediging van de Franstalige bourgeoisie in de rand? 'Het is vernederend te veronderstellen dat we, omdat we arm zijn, de strijd voor onze taal en cultuur zouden opgeven voor meer centen. Dat zouden de Vlamingen beter dan wie ook moeten begrijpen, want ze hebben honderd jaar dezelfde strijd gevoerd. Trouwens, het probleem van alle vorige communautaire onderhandelingen is net dat het louter over de ruil van bevoegdheden voor centen ging. Maar over essentiële dingen is niet gepraat.'

Zo'n essentieel ding kan fiscale autonomie zijn. 'Het kan een oplossing zijn voor de financiering van Brussel.' Maar minstens even essentieel noemt Clerfayt de modernisering van de taalwetgeving in Brussel, de erkenning van de rechten van de Franstalige minderheid in de Rand of een uitbreiding van Brussel. Maar dat is taboe voor de Vlaamse partijen.

Kan hij zich een akkoord voorstellen zonder uitbreiding van Brussel? 'De erkenning van het Minderhedenverdrag is het minimum minimorum. En voor de leefbaarheid van Brussel is een uitbreiding nodig, door een echte uitbreiding of door veel betere samenwerking met de provincies Vlaams- en Waals-Brabant.'

De Vlaamse angst voor de Franstalige olievlek begrijpt hij niet. 'Zeventig jaar geleden spraken ze in Gent en Antwerpen nog Frans. Vandaag heeft het Vlaams zijn plaats en respect gekregen. Ik begrijp niet waarom jullie zo bang zijn voor die olievlek. We hebben er de economische kracht niet meer voor, en de politieke kracht hebben we nooit gehad.'