Voor John Crombez is het debat over vermogensfiscaliteit eenvoudig. Op voorwaarde dat de discussie helder wordt gevoerd – het gaat niet over vermogensbelasting maar over vermogenswinstbelasting – en dat niet om heikele facetten wordt heen gefietst.

Inkomen uit arbeid minder belasten en inkomen uit grote vermogens billijk doen bijdragen, het is een perfecte match, als je hem wil zien.

Na de verkiezingen blijft het debat over vermogensfiscaliteit verder lopen en maar goed ook. Niet alleen Rerum Novarum, ook Geert Noels en Geert Janssens (‘Bezint eer ge herverdeelt’, DS 30 mei) vonden het belangrijk genoeg om erop door te gaan.

Twee zaken vallen op. Pogingen om de discussie erwtensoepgewijs ondoordringbaar te maken helpen het debat niet vooruit. En, twee, de vraag naar wat dan wel moet gebeuren wordt niet gesteld. Nochtans is het voor mij zonneklaar: als we de belastingen op werk echt willen verlagen, genoeg en duurzaam, moeten we inkomen uit kapitaal volwaardig meenemen in de discussie. En die discussie, beste Geert Noels en Geert Janssens, gaat niet louter over een vermogensbelasting.

Eerste vraag. Is een vermogensbelasting nu wenselijk? Mijn antwoord is nee. De discussie gaat over een vermogenswinstbelasting. Dat is iets heel anders en eenvoudig te verantwoorden: inkomen is inkomen. Of je nu geld verdient door hard te werken of slim te beleggen. Alle types van inkomen moeten eerlijk bijdragen.

Tweede vraag. Hebben we het dan over de gewone spaarproducten? Het ultieme argument om paniek te zaaien en politiek pijn te doen aan de voorstanders van de vermogenswinstbelasting? Nee. Elk ernstig voorstel voorziet uitzonderingen en een belastingvrije som, zoals die ook voor inkomen uit arbeid bestaat.

Derde vraag. Waar gaat het dan wel over? De belastbare basis moet worden verruimd met inkomens uit kapitaal. Alle types van hoog inkomen moeten billijk bijdragen. Economisch gezien zijn de arbeidsinkomens de afgelopen 25 jaar een steeds kleiner deel van het nationaal inkomen geworden. Omdat er maar twee componenten zijn, betekent dit dat de kapitaalinkomens steeds groter zijn geworden. Beleidsmatig is het dan ook onmogelijk om zware lasten te blijven leggen op arbeid.

Ook maatschappelijk is het onhoudbaar, omdat de ongelijkheid de facto zal toenemen zonder verschuiving. Noels en Janssens stellen de nood aan meer herverdeling in vraag. Dit gaat ver, heel ver. De Oeso en het IMF lieten net voor de verkiezingen optekenen dat toenemende ongelijkheid ook economische groei kost. Vreemd dat zij dit argument niet meenemen in hun stuk.

Vierde vraag. Is een vermogenswinstbelasting economisch wenselijk? Noels en Janssens zeggen dat een groot deel van het vermogen vastgoed en aandelen betreft. Vervolgens argumenteren ze (op zeer redelijke wijze) dat vastgoed niet noodzakelijk een deel van deze discussie moet zijn.

Maar over aandelen of het rendement daarop zeggen ze niets. Tijdens de verkiezingscampagne had ik twee grote interviews met ondernemers, met Marc Coucke (in Humo) en Bernard Delvaux (DS 30 april). Beiden waren positief over een meerwaardebelasting op aandelen. En economisch hebben ze gelijk. Als arbeid goedkoper wordt voor de werkgever, is de kans groter dat bedrijven meer toegevoegde waarde zullen creëren. Daardoor kan het bedrijfskapitaal groeien, en schuiven de lasten naar het eindresultaat in plaats van op de keten die toegevoegde waarde en welvaart moet creëren. Dus het is economisch logisch dat bedrijfsleiders voor een meerwaardebelasting mét lastenverlaging kiezen. Tijdens de regering-Di Rupo nam het vermogen in België met meer dan 100 miljard euro toe. Jawel, meer dan 100 miljard. Voor een belangrijk deel omdat de waarde van aandelen steeg, waarvan 85 procent bij amper 1,5 procent van de Belgen terechtkwam. Het weze hen gegund, maar daar dan niet over willen spreken en wel over consumptiebelastingen en indexsprongen op kap van de gezinnen is op zijn minst bewust scheef kijken.

Vijfde vraag. Zal de vermogenswinstbelasting genoeg opleveren? Want de loonkostenverlaging moet structureel zijn. Daarom stel ik, net zoals bij fraudebestrijding, drie voorwaarden. Eén, de begroting moet een realistische inkomst inschrijven. Twee, je moet dat goed laten meten. Drie, je moet de opbrengst zowel als de eventuele meeropbrengst toewijzen aan specifieke uitgaven.

Als een vermogenswinstbelasting structureel meer oplevert, zouden de lasten op arbeid structureel meer moeten worden verlaagd. De begroting heeft nood aan zulke communicerende vaten. Vooral voor lastenverlaging en armoedebestrijding.

Zesde vraag. Als er een vermogenswinstbelasting wordt ingevoerd, zal het kapitaal dan vluchten? Vreemd toch dat velen blijven ontkennen dat we in een andere omgeving zijn terechtgekomen. Niet alleen in België, in de wereld. De belastingparadijzen zijn opengegooid, de automatische uitwisseling van bankgegevens is een internationaal feit en er komt een nieuw (internationaal) belastingregime voor multinationals. Heel wat van de typische argumenten om niets te doen aan hoge vermogensinkomsten zijn in anderhalf jaar weggevallen. En het nieuwe panorama biedt een unieke kans om de verschuiving van de fiscaliteit echt te laten slagen.

De zevende vraag is de hamvraag. Zal men de essentie van deze discussie blijven vermijden, of wil men ze ten gronde voeren? Zodat inkomen uit arbeid duurzaam minder wordt belast en inkomen uit grote vermogens daartoe billijk bijdragen. Meer gelijkheid en meer rechtvaardigheid. Én beter voor de economie. Geen erwtensoep. (Deze opinie verscheen in De Standaard van zaterdag 31 mei)