De arbeidsmarkt vereist steeds meer competenties en flexibiliteit, steeds meer directe inzetbaarheid in complexere jobs. Deze kwetsbare werkzoekenden worden geconfronteerd met een ‘glazen plafond’ en worden de facto van arbeidsparticipatie uitgesloten door verdringing op de arbeidsmarkt.

We stellen vast dat er voor de kwetsbaarder profielen steeds minder gepaste jobs zijn in het ‘normaal economisch circuit’ ( NEC ).  En als die jobs er wel zijn merken we dat ze dikwijls de concurrentie met de sterkere profielen niet aankunnen. Ze blijven gedesillusioneerd en werkloos achter, terwijl de inactiviteit dreigt. Hun maatschappelijke kwetsbaarheid neemt toe, terwijl enkel de minst begeerlijke jobs voor hen toegankelijk zijn.

In weerwil tot dat groeiende aantal kwetsbare werkzoekenden, focust het Vlaamse beleid steeds exclusiever op die profielen die wel bemiddelbaar zijn. Bemiddelbaar wordt daarbij steeds meer synoniem voor ‘kneedbaar’. In de heersende visie dienen de mensen zich aan te passen aan de jobs, niet de jobs aan de mensen. Die verenging creëert een ‘bottle neck’.

Want niet alleen zijn er minder plaatsen in de sociale economie, sociale tewerkstellingsmaatregelen of welzijnssystemen zoals arbeidszorg, er is ook steeds minder tijd om de kwetsbare werkzoekende als ‘mens’ te zien. De nodige tijd om hem gestage vooruitgang te laten boeken en hem stappen te laten zetten naar werk ontbreekt meer en meer. Hij wordt opgejaagd als maatschappelijk wild, dat zo snel mogelijk moet doorstromen. Dat moet uiterlijk binnen de twee jaar, naar jobs die er niet altijd zijn. Dit ondanks positieve stimulansen, die Vlaanderen in functie hiervan in stelling brengt, zoals de doelgroepkorting. In de heersende retoriek moeten werkzoekenden de kansen grijpen die hun geboden worden. Tegelijk is er steeds minder interesse om die kansen voor de meest kwetsbare doelgroep écht te creëren, en merken we dat almaar meer mensen tussen tafel en stoelen dreigen te vallen.

Het huidige beleid in Vlaanderen is verblind door haar retoriek, dat iedereen aan het werk moet, in het ‘normaal economisch circuit’ wel te verstaan. Niet de mensen, maar wel de cijfers staan voorop. Want Vlaanderen moet en zal de werkzaamheidsdoelstelling van het Pact 2020 halen. Die bepaalt dat het aantal mensen dat aan de slag is, omhoog moet. In 2013 was dat 71,4 % van de actieve bevolking. Dat moet stijgen tot 76%. Terechte doelstelling, zeker als we de maatschappelijke uitdagingen van morgen willen aangaan, bijvoorbeeld op het vlak van de vergrijzing. Ik wil dat benadrukken, want ook ik wil dat zoveel mogelijk mensen kansen krijgen op de reguliere arbeidsmarkt. Alleen is de toeleiding naar werk niet alleen een verhaal van ‘doorstromen’ en ‘output’, zoals men vandaag vaak vooropstelt, maar voor velen ook een verhaal van ‘doorgroeien’. Doorgroeien naar de best haalbare tewerkstelling. Of die nu ‘regulier’ of ‘sociaal’ is.

In Gent willen we die persoonlijke ontwikkeling, en de mensen achter de doorstroomresultaten mee zichtbaar maken. Ik denk aan de Take Off-werking, die we samen met de Stad, de VDAB en het OCMW opzetten, om een groeiend aantal jongeren, dat niet in een opleidings- of tewerkstellingstraject zit, op een laagdrempelige manier te begeleiden in hun stappen naar werk.

Het gaat om heel kwetsbare en vaak geïsoleerde jongeren. Hun aantal wordt in Gent op 2 à 3.000 geschat. Met Take Off bereiken we jaarlijks een 180-tal onder hen. Een inspanning, die vaak niet alleen in kwantitatieve resultaten te vatten is. Het is essentieel ook de kwalitatieve stappen die deze mensen vooruit zetten, naar waarde te schatten. Om aldus uiting te geven aan hun groei als mens, en aan de fierheid die ook zij puren uit de activiteiten die ze in de samenleving opnemen. Ook de sociale partners zouden hierin een nadrukkelijker en actievere rol kunnen spelen. Heeft immers niet iedereen recht op fierheid, los van de vraag of deze voortvloeit uit een gesubsidieerd werkervaringssysteem of niet?

Maar zelfs als we de resultaatgerichte doorstroombenadering kunnen opwaarderen tot een ‘doorgroeibenadering’, zelfs als Vlaanderen sociale begeleidingsinitiatieven niet alleen taxeert op de doorstroomresultaten die ze boeken, ook dan zal er meer nodig zijn. Want ook dan zal er een ‘glazen plafond’ blijven voor wie onvoldoende potentieel heeft, om aan de economische noden van de vraagzijde tegemoet te komen. De zogenaamde groep ‘onbemiddelbaren’ zal de komende jaren alleen maar groeien, alsook de multiproblematieken waarmee ze kampen.

Daarom is de Vlaamse keuze om tewerkstellingsmaatregelen te beperken tot maximaal twee jaar ronduit onrealistisch. Ook getuigt het van blindheid en naïviteit om ervan uit te gaan dat al deze mensen binnen de twee jaar toeleidbaar zouden zijn naar het ‘normaal economisch circuit’. Wat met die mensen bij wie dit niet lukt of gewoon niet haalbaar is? Wat zijn de vooruitzichten voor hen?

Denken we aan de groep die vandaag in het PWA is tewerkgesteld, om één voorbeeld te geven. In Gent gaat het om 900 mensen. 45% van hen is arbeidsongeschikt tussen de 33 en 66 %. De anderen zijn vaak te oud voor de arbeidsmarkt, of kampen met persoonlijke problemen, die hen verhinderen de stap naar duurzaam werk te zetten. Ervan uitgaan dat al deze mensen na twee jaar zomaar op de gewone arbeidsmarkt ingezet gaan kunnen worden, zonder aandacht te hebben voor hun multiproblematiek, getuigt van weinig realiteitszin. Jammer dus, dat Vlaanderen het kader rond de afstemming tussen Werk en Zorg, geïnitieerd tijdens de vorige Vlaamse bestuursperiode, onuitgewerkt laat. Bij mij komt deze keuze over als desinteresse in de meest kwetsbare doelgroep.

Willen we ook aan deze mensen een recht op maatschappelijke participatie door werk garanderen, dan gaat Vlaanderen meer moeten investeren in sociale economie, en in een tewerkstellingsbeleid dat op mensenmaat is vormgegeven. Het Vlaamse beleid kiest echter nog steeds niet voor een groeipad in de sociale economie, hoewel we dat als lokale besturen al jaren vragen, samen met de sector zelf.

Door de ‘bottle neck’ waarvan sprake dreigt een groeiende groep kwetsbare werkzoekenden niet meer bediend te worden. Want zonder toeleidbaarheid naar het NEC en zonder bijkomende plaatsen in de sociale economie, is er voor hen maar één alternatief: de werkloosheid, of een langdurig leefloon bij het OCMW. Gaat Vlaanderen hiermee niet juist in tegen haar eigen doelstellingen/pact 2020? En nogmaals, schuift Vlaanderen zo de hete aardappel niet door naar de lokale overheid, waar het aantal OCMW-cliënten, niet in het minst ( laag geschoolde )  jongeren, nu al fors toeneemt?

Rudy Coddens,
OCMW voorzitter en schepen bevoegd voor werk en sociale economie


Gent, 12 juli 2017