Aan de ene kant vraagt de Europese Commissie ons land om de oneerlijke concurrentie door sociale dumping hard te bestrijden, terwijl ze aan de andere kant de instrumenten voor die strijd ongeldig verklaart. Waarom zoveel tijdverlies, vraagt Johan Vande Lanotte aan kersvers Europees commissaris Marianne Thyssen.




Sociale dumping laat dagelijks KMO's failliet gaan.

Beste mevrouw Thyssen,

Enkele maanden geleden heeft de Belgische overheid een antimisbruikbepaling goedgekeurd, een belangrijk en noodzakelijk instrument in de strijd tegen sociale fraude. Die wet kon rekenen op de steun van alle partijen, behalve op die van de N-VA.

Wat houdt de wet precies in? Als iemand in België werkt als gedetacheerde uit een ander land én daar al sociale zekerheid betaalt, dan moet die werknemer die hier uiteraard niet meer betalen. Hij moet dan wel een attest van het land in kwestie kunnen voorleggen. De nieuwe wet bepaalt dat als onze inspectiediensten bewijzen hebben van fraude, ze de betaling hier in België kunnen opeisen. Dat is een strenge én duidelijke maatregel.

Maar uw diensten vinden dat niet kunnen. Zij vinden dat we eerst de fraude in dat andere land moeten bewijzen. Tegen dan is het natuurlijk al te laat en heeft de sociale dumping bedrijven die wel correct werken al in moeilijkheden gebracht.

Waarom zijn onze maatregelen tegen sociale fraude, en nog meer tegen sociale dumping, zo belangrijk? Waarom hebben we er binnen de regering een strijdpunt van gemaakt? Omdat er door zulke fraude dagelijks kmo's failliet gaan, Belgische werknemers worden ontslagen, en mensen uit andere landen op ons grondgebied worden uitgebuit.

Geen antwoord

Daar als lidstaat alleen tegen strijden is zeer moeilijk. Toch hebben we er in België alles aan gedaan om sociale dumping een halt toe te roepen. Toen het Belgische parlement de strenge wet goedkeurde, was er veel bijval onder de parlementsleden. Alleen de N-VA was tegen. Maar wat meer is, de wet wordt stevig ondersteund door uitspraken van het Europees Hof. Na de stemming hebben we onze argumenten overgemaakt aan de Commissie. We kregen echter geen antwoord. Waarop we een tweede keer contact zochten. Deze keer kregen we antwoord: het zou bekeken worden. Op onze vraag voor een onderhoud werd niet ingegaan. Twee dagen na de brief van de Europese Commissie werden we in gebreke gesteld.

Eigenlijk is die ingebrekestelling nog niet zo slecht. Zo kan de zaak voor het Europees Hof van Justitie komen. De Commissie is in het verleden al vaak door het Hof teruggefloten. We hebben er alle vertrouwen in dat dat ook nu zal gebeuren. Maar waarom zoveel tijd verliezen? We gaan naar een onhoudbare situatie. Enerzijds blijft Europa zeggen dat we de oneerlijke concurrentie keihard moeten aanpakken, en anderzijds slaat het de instrumenten daarvoor aan diggelen. En dat zonder dat het er zelfs met ons over durft te spreken.

Daarom deze brief. Hij is openbaar omdat we vinden dat iedereen recht heeft om te weten wat de gevolgen zijn van sociale dumping en wat de houding van de verschillende bevoegdheidsniveaus daarin is. De brief is aan u gericht, omdat ik er goede hoop op heb dat u er als de nieuwe commissaris voor Werkgelegenheid en Sociale Zaken werk van zal maken.