Het ‘model van de Lage Landen’, waarmee minister-president Kris Peeters het Rijnlandmodel begraaft, vraagt meer flexibiliteit van werknemers. Maar waar is het wederkerig engagement van het bedrijfsleven?

"Moet reaganomics het Rijnlandmodel dan begraven?"

Minister-president Kris Peeters pleit voor meer samenwerking tussen de Lage Landen en zelfs voor een eigen socio-economisch model. Een model van de Lage Landen dat de ambitie heeft om de troeven van Vlaanderen en Nederland te combineren met het beste van de Duitse en Scandinavische modellen. Peeters begraaft daarmee het Rijnlandmodel (De Tijd, 12 maart). Dat is verrassend. Niet alleen de ACW’er Yves Leterme, maar ook Koen Van Den Heuvel publiceerde in 2011 nog een pleidooi voor een vernieuwd Rijnlandmodel als ultieme verzoening tussen de marktwerking en de sociale bescherming.

De minister-president motiveert de exit van het Rijnlandmodel door te stellen dat het ‘sommigen onder ons risicoschuw heeft gemaakt’. Hij wil risico’s zoals ziekte, invaliditeit en ouderdom indekken. ‘Maar dat mag niet te ver gaan’, stelt Peeters, ‘want ondernemers zijn de motor van de economie.’ Peeters laat wel na te staven of deze veronderstelling ook klopt. Zijn er vandaag bijvoorbeeld minder ondernemers? En is de steeds voortschrijdende juridisering en dito private verzekeringsdrang niet net een wezenskenmerk geworden van de Amerikaanse samenleving?

Hoe realiseren

Niet dat Peeters elk verzekeringsprincipe wil loslaten: ziekte, invaliditeit en ouderdom verdienen het om als risico te worden ingedekt. Het valt op dat werkloosheid niet in dat rijtje staat. Met 215.000 Vlaamse werklozen op te teller kan dat toch geen vergetelheid zijn. We mogen toch hopen dat de minister-president niet de suggestie wil wekken dat werklozen risicoschuw zijn? We zijn het er toch over eens dat de stijgende jeugdwerkloosheid en de systematische achterstelling van verschillende kansengroepen complexere oorzaken hebben en krachtige maar ook gerichte maatregelen vergen?

Aangezien de minister-president uitdrukkelijk een eigen model wenst uit te werken, is het aangewezen in te gaan op de voorgestelde doelstellingen. Peeters pleit voor lagere loon- en energiekosten. De overheid moet haar financiën op orde hebben en de ondernemingen een stabiel klimaat bieden. Niemand zal de waarde van deze doelen op zich loochenen, maar het valt op dat de minister-president vaag blijft over de manier waarop dat gerealiseerd moet worden.

Bovendien vinden we in zijn bewuste toespraak (in het kader van de Van Beuningen-lezing in Rotterdam) veel over de rol van de overheid en over de noodzaak van meer loopbaanflexibiliteit bij werknemers. Maar het blijft zoeken naar één wederkerig engagement van het bedrijfsleven, bijvoorbeeld inzake opleiding en vorming.

Net dat intrinsieke onevenwicht maakt dat het model van de Lage Landen sterk doet denken aan de reaganomics van de jaren 1980. Het valt dan ook te vrezen dat dit voorstel met dezelfde pijnpunten en fenomenen te kampen krijgt. De Angelsaksische samenlevingen worstelen met een toenemende ongelijkheid en armoede en met het ontrafelen van het sociaal weefsel. We zien ook dat de sociale mobiliteit afneemt.

Sociale bescherming

Mag het gezegd dat ons land door de hoge sociale bescherming minder gevoelig is gebleken voor crisissen dan andere landen? Mogen we erop wijzen dat met name de Scandinavische landen hoge sociale bescherming en activering bundelen tot meer welvaart, meer werkzaamheid en minder armoede? Het is toch geen taboe om te stellen dat de hoge Duitse groei ook steunt op de 10 procent werkende armen?

Dit is geen pleidooi om niets te doen en alles te laten zoals het is. Daarvoor zijn de uitdagingen te groot. Iedereen zal inspanningen moeten leveren om onze welvaart en welzijn veilig te stellen. Maar een eigen socio-economisch model zou minstens de wil moeten hebben om in te grijpen op de bewezen problemen, zonder daarbij in pijnlijke vallen te trappen.

Een socio-economisch model van de Lage Landen zou toch minstens de brandende ambitie in zich moeten dragen om er met zijn allen op vooruit te gaan, elk talent te benutten, werken en ondernemen te stimuleren, zonder ook maar iemand achter te laten.