vrijdag 28 maart  Spelen met taal Oef! Dat vreselijke reglement voor de speelpleinwerking in Liedekerke is van de baan. In het gewraakte speelpleinreglement van Liedekerke staat dat de hoofdmonitor kinderen die geen Nederlands kunnen, kan weigeren.

En dat werd dan verkocht als een preventieve maatregel. Want zegt cd&v-burgemeester Luc Wynants, “als men een bende kinderen bij elkaar moet houden en veilig wil laten spelen, is het belangrijk dat ze begrijpen wat de monitoren tegen hen zeggen”.

Mijn zoon is 2,5 jaar. Hij spreekt fantastisch goed, vind ik zelf – maar ik ben dan ook zijn mama – maar om nu te zeggen dat hij perfect Nederlands spreekt, neen, dat moet zelfs ik toegeven. En of hij alles wat monitoren tegen hem zeggen, zou begrijpen, ik heb er zo mijn twijfels over. En vooral, of hij ook alles zou doen wat hem gezegd wordt – dat weet ik ondertussen uit ervaring – niet, dus. Bijgevolg zouden die monitoren op dat speelplein niet voor zijn veiligheid kunnen instaan? Baarlijke nonsens en als een monitor daarmee bij mij zou afkomen, ze zouden mijn zoon daar niet te zien krijgen.

Ik veronderstel dat in Liedekerke ook kinderen met een mentale beperking of dove kinderen niet “veilig” kunnen spelen op het speelplein? Tussen haakjes: ik ben zelf jarenlang monitor geweest op twee Leuvense speelpleinen, eentje voor 2,5- tot 6-jarigen en eentje voor 6- tot 12-jarigen en in die periode vingen wij – met een beetje creativiteit en vooral wat goede wil – een doof kindje, een ADHD-kindje en een kindje met Down-syndroom op. En heel wat “gewone”, speelse en actieve kinderen wiens “veiligheid” op straat of op speeltuigen je echt wel op een andere manier in de gaten moest houden dan gewoon even te roepen dat ze zich zus of zo moesten gedragen.

Het is voor mij wel duidelijk: veiligheid heeft maar weinig te maken met deze maatregel. Dat bleek eigenlijk ook al meteen uit de aanleiding voor dit reglement: een bus anderstalige kinderen die vorig jaar de Liedekerkse speelpleinen “onveilig” kwamen maken. Nog maar eens een voorbeeld van een fenomeen dat zo vaak opduikt in gevallen van discriminatie: men heeft een bepaald doel voor ogen (anderstalige kinderen uitsluiten) maar men verpakt het met een of ander oppervlakkig goed klinkend argument. Want zeg nu zelf, wie is er tegen veiligheid? Ik maak me wel behoorlijk zorgen dat bijna twee derde van de lezers die reageerden op de “Vraag van de dag” van Het Volk en Het Nieuwsblad dit een goed idee vonden …

En natuurlijk zou zo’n reglement contraproductief zijn: de zomerperiode is voor heel wat “anderstalige” kinderen (lees: kinderen van allochtone afkomst) een periode waarin ze precies een achterstand op het vlak van taalontwikkeling oplopen. Iets gelijkaardigs geldt trouwens voor kinderen uit kansarme gezinnen. In Fabota, de kinderwerking van buurtwerk ’t Lampeke, doet men juist extra inspanningen om anderstalige kinderen in de schoolvakanties in hun taalontwikkeling te stimuleren. Zelfs voor kinderen die in die periode niet naar ons speelplein komen! Dat doen we met het project “de rugzak”. Kinderen die tijdens de schoolvakantie naar het buitenland gaan, krijgen een “taalrugzakje” mee. In dat rugzakje zitten leesboekjes en taalspelletjes. Met de kinderen die wel naar het speelplein komen, is er de actie “leesmaatjes”. Vrijwilligers komen voorlezen en lezen wordt op een speelse manier (niet verplicht dus, lezen moet leuk zijn) bevorderd.

En ten slotte nog dit, ook in Fabota moeten we – helaas – soms kinderen weigeren. Niet omdat ze niet welkom zijn, maar omdat we niet genoeg ruimte en monitoren hebben om … jawel, hoor, hun veiligheid te garanderen. En dan geven we voorrang aan kinderen uit de buurt. Daar is niks mis mee. Ik heb dus best begrip voor echte argumenten, alleen niet voor drogredenen.

Waar de lamp brandt

Ik zal wel niet helemaal onbevoordeeld zijn, maar ik hou van Leuven. Ik ben er geboren, woon er eigenlijk al heel mijn leven en ik heb er gestudeerd. En in Leuven brandt de lamp. ’t Lampeke is een buurtwerk in de Leuvense Ridderbuurt, een buurt die al lang kampt met maatschappelijke kwetsbaarheid en (kans)armoede. ’t Lampeke bestaat uit vijf deelwerkingen: de Wurpskes, Fabota, Den tube, het buurthuis ’t Lampeke en Cie Tartaren.

De Wurpskes is onze dagopvang: elke dag worden tien baby’s en peuters uit kansarme gezinnen opgevangen. Het gaat om kindjes van politiek vluchtelingen, jonge moeders, ouders die worstelen met generatiearmoede of een bijzonder moeilijk verleden. De leeftijd van de kindjes schommelt tussen zes weken en drie jaar. We werken met de kindjes én de ouders en proberen vanuit onze expertise bij het beleid aandacht te vragen voor deze groep kinderen, ook binnen de reguliere kinderopvang. Afgelopen jaar werd samen met de ouders een project rond opvoedingsondersteuning opgestart om de relatie tussen ouders en kindjes te versterken. En we zijn altijd op zoek naar vrijwilligers …

In Fabota komen na school, op woensdagnamiddag of in de vakantie gemiddeld 75 kleuters en lagere school kinderen spelen. Fabota is erkend als een lokale dienst voor kinderopvang. Kinderen uit de buurt kunnen er leuke activiteiten komen doen. Ze kunnen er bijvoorbeeld naar de circusschool of leren fietsen. Onze fluo-vestjes met een “L” voor kinderen die zich voor het eerst op de fiets in het verkeer wagen, zijn een groot succes. Op 25 mei gaan we weer op fietstocht. Ook het project “Koffer Schaap” haalde een prachtig resultaat: 50 spelpakketten met een kast waarin schapenfamilies wonen die kleuters en hun begeleiders vertrouwd maken met “eigenheid” en “diversiteit”. In Fabota hebben we vooral méér ruimte nodig om te spelen. En dus zijn we op zoek naar geld

Den Tube is een jeugdhuis op een echte boot, waar alle jongeren tussen 12 en 18 jaar welkom zijn. De boot ligt op de Leuvense Vaart. Twee keer per week kan de oudste groep jongeren op de boot terecht en zowel voor de jongste als voor de oudste groep hebben we in de vakanties een vakantieaanbod. Afgelopen najaar richtten we voor het eerst een heus “studiecentrum” in op onze boot.

Met het basiswerk van het buurthuis ’t Lampeke richten we ons op alle mensen uit onze buurt: maatschappelijk kwestbaren, maar ook mensen die in het leven meer kansen kregen. Dat doen we bijvoorbeeld met de actie “Kom eens koken”: iedereen die wil mag buurtmaaltijden komen koken. Voor diegenen die durven: volgende week vrijdag ga ik er koken. Gelukkig krijg ik hulp van Jaak Brepoels, schepen van wonen en werk, die meer kooktalent heeft dan ik. Denise Vandervoort, schepen van cultuur en sociale zaken en Karin Jiroflée, deputée in Vlaams-Brabant gingen ons al voor. Buurthuis ’t Lampeke is ook erkend als een vereniging waar armen het woord nemen. Op 17 oktober 2007, de dag tegen armoede, spraken bezoekers van ons buurthuis in het provinciehuis van Vlaams-Brabant over het recht op menswaardig én betaalbaar wonen. Heel wat mensen ondervinden tegenwoordig problemen door de plotse stijging van hun energiefactuur. De aandacht die het buurthuis al langer besteed aan bewust (kunnen) omspringen met energie bewijst nog maar eens dat we de vinger aan de pols houden.

Cie Tartaren is onze theatergroep die ondertussen al een hele reeks succesvolle producties achter de rug heeft: Zout, Bloedlijn, Leonce en Leona, Olympos, Wonen in Blokken, Boven en Zoetje. Cie Tartaren is structureel erkend als sociaal-artistieke werking, en daar zijn we trots op. Op zondag 16 maart vond tussen 12u en 21u30 in het buurthuis een voorleesmarathon van ‘Het Verdriet van België’ van Hugo Claus. Heel wat bekende Leuvenaars – onder meer Louis Tobback, Jan Hautekiet, Vital Schraenen, Karel Vereertbrugghen, An Tuts, Stephan Jonckheere, Big Bill, Karen De Visscher de tweeling Marcella en Jeanne Schollaert – kwamen voorlezen.

Alle onderdelen van onze werking zijn schakels in een groter geheel en werken vanuit éénzelfde visie. Onze grootste uitdaging blijft de strijd tegen armoede. Armoede blijft, in al zijn vormen, een onrecht. De manier waarop dat gebeurt in ’t Lampeke maakt het een eer dat ik voorzitter van ’t Lampeke mag zijn.

Ps: Sorry voor de trouwe lezers, ik heb gisteren geen stukje ingeleverd: overdag de hele dag een marathonvergadering gehad (iets wat op het werk alleen kan in “rustige” periodes zoals de Paasvakantie) en ’s avonds nog een andere vergadering (die veel langer is uitgelopen dan verwacht)

Dinsdag 25 maart 

“Het recht is overal”, vertel ik mijn studenten elk jaar in de eerste les. Gewoonlijk bekijken ze me dan een beetje vreemd: meestal is het recht onzichtbaar en zo hoort het ook. Je merkt het recht eigenlijk vooral op als er iets fout loopt en je het nodig hebt of als er met het recht zelf iets fout loopt.

Vandaag heb ik me weer eens uitgebreid lopen ergeren aan een situatie waarin het fout loopt met het recht zelf. En dat op een gebied waar nogal wat mensen het gevoel hebben dat het ondertussen wel mooi geweest is: gelijke rechten voor holebi’s, en meer specifiek gelijke rechten voor holebi’s op het vlak van afstamming. Ik hoor u denken “Maar holebi’s kunnen toch officieel samenwonen of trouwen, wat is dan nog het probleem?” Dat zal ik u even uitleggen …

Voor een holebi-ouder is het niet mogelijk om – wat nu nog “vaderschapsverlof” heet – op te nemen, zelfs wanneer je met je partner getrouwd bent. De 10 dagen vaderschapsverlof moeten immers opgenomen worden in de periode van 30 dagen na de geboorte. Het is op dit ogenblik echter onmogelijk om zo snel een juridische band te creëren tussen het kindje en de mee-ouder. Het is ook niet automatisch mogelijk om ouderschapsverlof op te nemen voor het kind dat je als holebi samen met je partner kreeg.

 

In beide gevallen is het probleem dat de juridische afstammingsband tussen het kind en de mee-ouder niet automatisch door het recht geregeld wordt. Het recht moet volgens mij dan ook dringend zo hervormd worden dat wanneer een kindje geboren wordt de juridische band met de mee-ouder van hetzelfde geslacht onmiddellijk door het recht erkend wordt. Bij getrouwde koppels kan dat op een vrij eenvoudige manier: de zogenaamde “vaderschapsregel” moet gewoon geslachtsneutraal gemaakt worden. Die regel stelt nu dat de echtgenoot van de moeder van een kind geacht wordt de vader van het kind te zijn. Als de wetgever “echtgenoot” vervangt door “huwelijkspartner” en “vader” door “ouder” zou dat probleem opgelost zijn. Voor niet-gehuwde koppels van hetzelfde geslacht zou het mogelijk moeten worden om het kindje op eenvoudige wijze te erkennen, in een procedure analoog aan die voor de erkenning van kindjes die geboren worden bij een niet-gehuwd heterokoppel.

 

“En holebi-adoptie dan?”, denkt u nu misschien. Inderdaad, met dank aan Guy Swennen – de vader van het holebi-huwelijk én de holebi-adoptie – kunnen twee personen van hetzelfde geslacht sinds de wet van 18 mei 2006 samen een kindje adopteren. Tenminste, lesbische koppels kunnen dat. In Vlaanderen heeft nog geen enkel koppel mannen een kindje kunnen adopteren. Dat heeft dan weer te maken met het feit dat zelfs goede wetgeving ook nog in de praktijk moet worden omgezet. Gelijke rechten leveren niet altijd meteen ook gelijke kansen op. Maar dat is weer een ander verhaal.

 

Terug naar de lesbische mee-mama die – meestal – het kindje wil adopteren dat door haar (huwelijks)partner gebaard werd. Dat kan, maar adoptieverlof opnemen, dat kan niet. Je moet immers twee maanden wachten na de geboorte van een kindje vooraleer je het mag adopteren, maar je moet je adoptieverlof opnemen binnen de twee maanden nadat het kindje ingeschreven is op het adres waar je woont. Beide regels hebben in feite niets te maken met holebi-adoptie: de eerste is ingevoerd om (biologische) ouders de tijd te geven om bewust bij hun keuze te blijven om hun kindje voor adoptie af te staan; de tweede om ervoor te zorgen dat adoptieouders in het begin van de adoptieperiode “investeren” in de relatie met hun kindje. Probleem is dat als je beide regels samenvoegt in de context van adoptie door de mee-mama het resultaat bijzonder onrechtvaardig is. Het goede nieuws is dat wanneer de afstamming automatisch geregeld is, het probleem van het adoptieverlof voor mee-mama’s vanzelf verdwijnt.

 

Er is dus nog werk aan de winkel. Want een betere regeling voor de juridische afstamming tussen een kind en beide ouders is voor iedereen een goede zaak. En eigenlijk gewoon een zaak van rechtvaardigheid.

Paasmaandag 24 maart

Het was een rustig dagje vandaag. Dat is wel eens leuk, maar veel valt er niet over te vertellen. En het persoonlijke is dan wel politiek, maar daar zijn toch ook grenzen aan. Afin, ik heb iets gedaan waar ik anders niet aan toekom: mijn boekenkast opruimen. Dat duurt altijd veel langer dan nodig is, omdat ik steeds in boeken begin te bladeren. Deze keer kon ik niet weerstaan aan de gedichten van Emily Dickinson, mijn favoriete dichteres. Ik leerde haar werk kennen via de film “Sophie’s Choice”, waarin “Ample make this Bed” geciteerd werd. Er zijn ongelooflijk veel uitgaves van haar gedichten, maar de vertaling hieronder komt uit “De mooiste van Dickinson” van Ivo van Strijtem.

Ample make this Bed              

Maak ruim dit Bed

 

Make this Bed with Awe

Maak het met Ontzag

 

In it wait till Judgement break

Wacht erin op Oordeelsdag

 

Excellent and Fair.

Eerlijk en Volmaakt.

 

Be its Matress straight

De Matras zij recht

 

Be its Pillow round

Het Kussen rond

 

Let no Sunrise’ yellow noise

Geen geel geluid van vroege Zon

 

Interrupt this Ground

Mag storen deze Grond

En dan ben ik eindelijk “In Europa” beginnen lezen. Ik ben nog niet ver geraakt, maar ben wel al verkocht. Om diegenen die nog twijfelen over de streep te trekken, hieronder het citaat van Jorge Luis Borges waarmee het boek begint:

“Een mens stelt zich ten doel de wereld in kaart te brengen. In de loop van de jaren bevolkt hij een ruimte met beelden van provincies, van koninkrijken, van bergen, van baaien, van schepen, van eilanden, van vissen, van kamers, van werktuigen, van sterren, van paarden en van personen. Kort voor hij sterft, ontdekt hij dat zich in dat geduldige lijnenlabyrinth het beeld van zijn eigen gelaat aftekent.”

“Grote” geschiedenis lezen in het leven van “kleine” mensen is een ongelooflijk krachtig statement. Een statement over waar “geschiedenis” echt over gaat, of zou moeten gaan. En over waar het echt om gaat bij het beleid van nu en de geschiedenis van morgen. Ik ben benieuwd welke geschiedenis Leterme I ons gaat brengen …

zondag 23 maart 

Het was een vreemd Paasweekend.

Het begon zaterdagochtend met een bezoek aan de hulpgevangenis van Leuven, samen met enkele leden van animo. Ik ging mee om als ocmw-raadslid een gezamenlijk project van het ocmw en de hulpgevangenis voor te stellen: schuldhulpverlening aan gedetineerden.

Mensen die in de gevangenis zitten, worstelen vaak met schulden. Bovendien zijn er meestal burgerlijke partijen die recht hebben op een schadevergoeding. Om die schuldenproblematiek aan te pakken sloegen het ocmw en de hulpgevangenis de handen in elkaar: wekelijks houdt iemand van het team schuldhulpverlening van het ocmw een voormiddag lang spreekuur in de hulpgevangenis. De vraag is groot: elke week komen er gemiddeld zo’n 10 gevangenen langs met vragen. In 2007 deden in totaal 368 gedetineerden een beroep op deze dienstverlening. De medewerker van het ocmw geeft algemene informatie over de werking van het ocmw en van andere diensten en helpt bij het schrijven van brieven om uitstel van betaling te vragen. Als gevangenen dat vragen, kan zij een overzicht van de totale openstaande schuld en/of een afbetalingsplan opmaken. Dankzij dit project kunnen mensen in de gevangenis al werken aan het nakomen van hun verplichtingen ten opzichte van hun slachtoffer(s). En ze kunnen hun eigen kansen op een beter leven na de gevangenis al wat versterken. Wat mij betreft, mag dit project in alle Belgische gevangenissen navolging krijgen!

[Dat ze in de Leuvense hulpgevangenis wel vaker vernieuwend en creatief zijn, blijkt ook uit Straftijd, een fotoboek van Lieve Blancquaert over gevangenen en het gevangenisleven.]

 

En daarna … naar Plopsaland met mijn zoontje en mijn familie; het contrast kon moeilijk groter zijn. Mijn zoon is op zijn 2½ misschien net iets te jong voor de meeste attracties, maar hij heeft duidelijk genoten: kijken naar een grote boot die razend snel het water induikt met een grote “supersplash” is ook geweldig fijn! En omdat het zo slecht weer was, zijn we een hele tijd gaan schuilen in een restaurant, waar we ons favoriete spelletje hebben gespeeld: mama omver duwen.

 

En zondag was het dan Pasen. De eerste Pasen sinds ik een alleenstaande mama ben. Ik had op voorhand wat zitten piekeren hoe ik de doortocht van de Paasklokken op m’n eentje zou organiseren. Domme dingen, zoals enthousiast mee zoeken naar paaseitjes en tegelijkertijd foto’s nemen, is op je eentje niet zo makkelijk. En natuurlijk speelt op de achtergrond altijd die gedachte dat het vorig jaar zo anders was. Toch wel wat moeilijke momenten dus.

 

[Natuurlijk heb je als alleenstaande ouder vaak heel wat grotere katten te geselen. Voor wie als alleenstaande ouder op zoek is naar informatie over vanalles en nog wat: http://www.alleenstaandeouder.be/.]

 

Gelukkig kan ik – als ik het wat moeilijk heb – altijd bij mijn ouders terecht. En het is uiteindelijk nog erg leuk geworden: met een enthousiast rondlopend manneke en veel te veel chocolade … ik zal weer streng moeten zijn de volgende dagen.