Philippe Defeyt (Ecolo) en Karel Van Eetvelt (Unizo) hebben op het eerste gezicht weinig met elkaar gemeen. Maar in de voorbije weken leverden ze beiden een waardevolle bijdrage aan het debat over het basisinkomen. Beiden zien in zo'n basisinkomen immers een manier om ook ondernemers, creatievelingen en freelancers een basiszekerheid te geven en tegelijk onze sociale zekerheid te vereenvoudigen. De tijd is rijp voor een vereenvoudiging, actualisering en versterking van onze sociale zekerheid. Frisse ideeën daarvoor zijn dus welkom. Maar het is ook opletten voor nieuwe zekerheden die uiteindelijk minder zekerheid bieden. Wat een basisinkomen zo aantrekkelijk maakt, kunnen we evengoed meteen realiseren zonder de grote omslag naar een basisinkomen.

Wij spreken liever over een basisloon. Dat wordt opgebouwd door werk, is onafhankelijk van een arbeidsstatuut en beschermt tegen armoede.

Het basisinkomen zou voor een meer ontspannen loopbaan zorgen, ook voor zelfstandigen. Het geeft meer zekerheid en dus meer mogelijkheden om te veranderen, om iets te ondernemen met een onzekere uitkomst. Die extra zekerheid is nodig in een arbeidsmarkt met meer jobswitching en meer zelfstandigen. Het zou ook de activiteitsval in onze economie wegwerken: te weinig mensen die met een initiatief starten, omdat beginnen onvoldoende loon oplevert. We moeten dat gewoonweg stimuleren, ook zonder basisinkomen. Daarom is het gek dat deze regering net het omgekeerde heeft beslist, namelijk alle vormen van onvoorwaardelijk tijdskrediet afschaffen. Uit vrees om de spreekwoordelijke 'wereldreiziger' te subsidiëren, hebben we ook de tijd om een loopbaan te heroriënteren geschrapt.

Het basisinkomen zou zeker voor een vereenvoudiging zorgen, is het tweede argument. De vele soorten vervangingsinkomens, elk met hun minima en eigen regels, scheppen onzekerheid door intransparantie en laten sommigen in de kou. Een basisinkomen oogt dan mooi, alleen dreigt het niet alleen de takken, maar ook de wortels van de verzorgingsstaat te kappen: werkbereidheid en inkomen in verhouding tot werk. Er is een grote maatschappelijke vraag om een sociale verzekering voorwaardelijk te maken. Dat is niet alleen ingegeven door beperkte budgettaire middelen, maar beantwoordt ook aan een democratische vraag naar wederkerigheid binnen een sociaal-economische gemeenschap.

Een van de boeiendste argumenten voor een basisinkomen is tenslotte dat er gewoonweg niet genoeg werk meer zal zijn in de toekomstige economie. De verzorgingsstaat gebaseerd op een kostwinner die een hele loopbaan in hetzelfde bedrijf werkt, lijkt ingehaald door globalisering, flexibilisering en robotisering. Een basisinkomen is dan een vorm van herverdeling die aangepast is aan die nieuwe digitale economie. Maar ook de nieuwe economie vraagt werk, organisatie en infrastructuur. En elke dag blijkt hoeveel nood er is aan inzet voor samenlevingsopbouw, wat nu onvoldoende als volwaardig werk wordt aanzien. Maar om samenlevingswerk in de brede zin te financieren, hebben we geen basisinkomen maar vooral middelen en een nieuw soort arbeidsmarkt nodig.

Het nieuwste voorstel van Defeyt houdt al rekening met die opmerkingen door een basisinkomen van 600 euro voor te stellen, aangevuld met loon of uitkering. Dat gaat de goeie kant uit. Daarom vinden we het beter om over een basisloon te spreken. Een basisloon voor wie start, iets anders probeert of even door tegenslag niet werkt maar daar wel toe bereid is. Zo'n loon wordt opgebouwd door werk, is onafhankelijk van arbeidsstatuut en beschermt tegen armoede. Als we daarenboven een bredere definitie van 'werk' en 'werkbereidheid' hanteren, dan wordt het basisinkomen slechts de meest extreme versie van een reeks nuttige hervormingen die we nu meteen kunnen doorvoeren.