Bijna 70% van de migranten van de tweede generatie hebben een baan. Bij hun ouders, de eerste generatie, werkte slechts 62%. In één allochtoon gezin op vier heeft niemand werk.

Migranten van de tweede generatie – van wie de ouders naar België zijn gekomen en die zelf hier zijn geboren – doen het beter in het onderwijs en staan er op de arbeidsmarkt beter voor dan de eerste generatie migranten. Dat blijkt uit een studie door het Vlaamse overheidsdepartement Werk en het Leuvense Steunpunt WSE.

Volgens de Vlaamse minister van Werk, Philippe Muyters (N-VA), heeft bijna 70% van de tweede generatie migranten die tussen 25 en 49 jaar is, een baan. Bij de eerste generatie was dat 62%. Ter vergelijking: in deze leeftijdsgroep heeft liefst 90% van de autochtone bevolking een betaalde baan.

Minister Muyters erkent dat de migranten (van beide generaties) nog steeds een achterstand hebben ten opzichte van autochtonen. Maar hij beklemtoont dat hun achterstand in de afgelopen jaren ‘langzaam maar zeker is afgenomen’.

Volgens het Minderhedenforum zijn er dringend bijkomende beleidsmaatregelen nodig om de ‘onaanvaardbare’ tewerkstellingskloof tussen de migranten en de autochtone bevolking te dichten. Naima Charkaoui, de directeur van het Minderhedenforum, wil een ‘inhaaloperatie om mensen met etnisch-culturele roots meer kansen op werk te bieden’. Charkaoui erkent dat de sociale achtergrond van de ouders en de scholingsraad een rol spelen bij de kansen van migranten op de arbeidsmarkt. ‘Maar vooroordelen over jongeren met etnische roots spelen ook een rol in de hoofden van werkgevers’, luidt het.

Uit een andere studie, ook uitgevoerd door het Steunpunt Werkgelegenheid, blijkt dat een betaalde baan van erg groot belang is om uit de armoede te blijven. Maar niet iedereen slaagt erin om werk te vinden. Zo leeft 8,6% van de bevolking in Vlaanderen in een gezin waar niemand werkt. Die Vlaamse score is beter dan het Europese gemiddelde (met 10,2% ‘baanloze’ gezinnen).

Maar voor sommige bevolkingsgroepen is de toestand veel minder rooskleurig. Zo leeft 18,8% van de laaggeschoolden in een gezin waar niemand werkt. En in allochtone gezinnen (van afkomst niet-EU-burgers) loopt dat aantal op tot 22,4%. Anders gezegd: in één allochtoon gezin op vier heeft niemand een betaalde baan. Voor hun gezinsinkomen zijn ze volledig afhankelijk van sociale uitkeringen of sociale bijstand.

Het hoge aantal ‘baanloze’ gezinnen is zorgwekkend, vindt onderzoekster Michelle Sourbron. ‘Allochtonen hebben niet alleen minder kansen op de arbeidsmarkt, ze leven ook nog vaker in een huishouden waar niemand werkt.’ Volgens Sourbron is de kans om in armoede te leven vijf keer hoger voor een gezin waar niemand werkt, dan voor een gezin waar minstens één ouder een betaalde baan heeft.(jir)

Bron: De Standaard 16-02-2011 © 2011 Corelio