We kunnen er niet meer omheen, de burn-out is een groeiend probleem in onze samenleving. Naar schatting 15% van de werkende Belgen krijgt ermee te kampen. Ook in de culturele sector is het risico op een burn-out groot, zo blijkt uit getuigenissen van mensen uit de sector. In een omgeving die drijft op passie en creativiteit is burn-out een sluipend gevaar. Sp.a zet nu  de eerste stap om de burn-out in de cultuursector aan te pakken.Lees hier het voorstel van resolutie dat ik bij het Parlement indiende. (foto cc VRT)

 

Voorstel van resolutie  van  Yamila Idrissi en Bart Caron

Betreffende de burn-out in de cultuursector

 

Toelichting

 

Deze resolutie betreft het vergroot risico op een burn-out waar de cultuursector zich mee geconfronteerd ziet.

Burn-out wordt gedefinieerd als ‘een werkgerelateerd syndroom dat gekenmerkt wordt door drie symptomen: emotionele/mentale uitputting, depersonalisatie en verminderde persoonlijke bekwaamheid’.[1] De concrete symptomen van de aandoening zijn slaapstoornissen, een afname van energie, functionele klachten en de daling van motivatie.[2] Mensen die aan een burn-out lijden zijn vaak gedurende lange periodes werk onbekwaam, wat zijn tol eist op persoonlijk vlak, maar ook binnen de organisatie en de maatschappij. Hoewel burn-out een wijdverspreid fenomeen is in onze maatschappij – het zou wel eens hét fenomeen van de 21ste eeuw kunnen worden –, zijn in de culturele sector enkele triggers aanwezig die het risico nog vergroten.

De kunstenaar heeft een apart statuut op de arbeidsmarkt. Creatief werk vergt passie, moed en inzet, maar leidt soms niet tot een concreet eindresultaat, of soms tot een ander eindresultaat dan oorspronkelijk beoogd. Ook andere cultuurwerkers zijn verweven met de dynamiek van het kunstwerk: de directies van cultuurhuizen, programmatoren, technici, communicatiemedewerkers, noem maar op.

In de praktijk ondervinden deze mensen bijzonder veel druk, vertelt voormalig artistiek leider van Kunstencentrum Vooruit, Barbara Raes: ‘Hoe [kun je afstand nemen van het resultaat] in een sector waar je twee of vier jaar hebt om een beleidsplan zo goed mogelijk te implementeren; waar de overheid inzet op resultaatgerichte praktijken, waar kunstenaars vandaag “hip” zijn, maar morgen evengoed “hop”; waar kunstencentra bedrijven zijn geworden, en genieters van kunst hun “klanten” zijn; waar professionalisering steeds meer gelijkstaat aan de waarden van een uit het marktdenken ontleende management cultuur en waar de werkethiek drijft op overgepassioneerd, overflexibel en onderbetaald zijn?’[3]  In de cultuursector wordt nu ervaren hoe de balans doorslaat aan één kant. Omdat er onvoldoende personeel en middelen zijn en te weinig zeggenschap is over wat er uiteindelijk geproduceerd wordt, groeit de frustratie. Dit is iets wat ook Barbara Raes heeft ondervonden: ‘Het is niet alleen economisch taaier geworden, ook de overheid en een deel van de maatschappij zijn veel resultaatgerichter gaan redeneren. En dus voel je steeds de druk van hogere eigen inkomsten, meer ticketverkoop, spelen voor grotere zalen, minder risico nemen, kortere speelreeksen, minimale onderzoeksperiodes… Organisaties moeten met minder veel meer doen. Zo is er op alle niveaus, van programmering tot techniek, minder tijd voor kwaliteit.’

In zijn landschapstekening erkent ook het Kunstenpunt dat de druk op de cultuursector is toegenomen: ‘Goede kunst maken volstaat niet. Je hebt ook ondernemersvaardigheden nodig, sociale skills om een netwerk uit te bouwen en administratieve vaardigheden om je zaak (als internationaal mobiele zelfstandige) nauwlettend te beheren.’[4] Uit een inkomensonderzoek bij auteurs, vertalers en acteurs blijkt bovendien dat cultuurwerkers ook op sociaaleconomisch vlak veel druk ondervinden, stelt Kunstenpunt: ‘Er zijn de toegenomen eisen tot superflexibiliteit en “polyactiviteit”. Er is de (digitale) druk op auteurs- en naburige rechten, op de uitkoopsommen en verdienmodellen, en dus op de verloning. Er is de dreigende kwalitatieve en kwalitatieve verschraling bij toonplekken, zowel internationaal als lokaal.’[5]

Anneleen Forrier onderzocht flexiwerk in de podiumkunsten en haalt terecht aan dat cultuurwerkers vaak niet bij eenzelfde werknemer blijven, waardoor ze geen rechten opbouwen en het gevaar lopen door jongeren uit de markt geprijsd te worden.[6] Ook dat drijft de druk op.

Na de besparingsoperatie bij de cultuurorganisaties van 7,5% kan men beweren dat de slagkracht van organisaties groot is, aangezien er weinig kleine organisaties daadwerkelijk overkop gingen. Maar wat schuilt er achter die façade? Nog grotere werkdruk op minder mensen in een klimaat waarin minder activiteiten neerzetten en dus minder visibel zijn eigenlijk geen optie is? De kunstensector is op korte tijd geprofessionaliseerd, maar verdonkeremaant het aantal burn-outs, omwille van schrik voor stigmatisering en de snelle vervangbaarheid van mensen omdat het een “gewilde” sector is op de arbeidsmarkt. Het fenomeen “mensen als citroenen uitpersen” is de cultuursector zeker niet vreemd. Op die manier staat ze soms heel ver af van de waarden en normen die ze altijd verdedigd heeft.

Burn-outspecialiste prof. dr. Elke Van Hoof: ‘Er bestaan geen objectieve cijfers over stress en burn-out in de culturele sector, noch over het voorkomen ervan, noch over de specifieke oorzakelijke of beïnvloedende factoren.’ Maar in haar praktijk behandelt zij wel heel wat ‘cultuurwerkers’ (hiermee wordt bedoeld= kunstenaars en medewerkers van organisaties in de culturele sector) en ook in het publieke debat wordt de problematiek steeds vaker aangekaart.

 

Vandaar dit voorstel van resolutie:


Het Vlaams Parlement,

       Gelet op:

 

  • Het antwoord op een schriftelijke vraag van minister aan Cultuur Sven Gatz in maart 2015, waar uit blijkt dat er in de sector geen onderzoek gebeurt over dit onderwerp en dat er geen cijfermateriaal beschikbaar is, laat staan dat er preventieve strategieën worden ontwikkeld.
  •  Uit hetzelfde antwoord  blijkt dat Vlaanderen verschillende algemene initiatieven ter bestrijding van burn-outs ondersteunt, zoals de website Geestelijk Gezond Vlaanderen, die mensen wegwijs maakt in het aanbod van de geestelijke gezondheidszorg. Minister Gatz verwijst ook naar het Sociaal Fonds voor de Podiumkunsten, dat zou kunnen inspelen op de behoeftes in het veld. Maar op dit platform is nog geen specifieke aandacht voor burn-out.
  • Op het federale niveau beslist is dat werkgevers vanaf 1 september 2014 preventieve maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat hun werknemers het slachtoffer worden van burn-out. Zij moeten een analyse van de psychosociale risico’s te maken; interne interventieprocedures invoeren voor elke problematiek van psychosociale aard, en het arbeidsreglement daarop af te stemmen; de interne betrokkenen informeren en hen de nodige opleiding te geven: vertrouwenspersoon, leden van het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk, de hiërarchische lijn, de werknemers.

 

    Overwegende dat:

 

  • Onderzoek in 2013 aantoonde dat mentale gezondheid in sterke mate bepaalt hoe lang iemand kan en wil actief blijven op de arbeidsmarkt.[7]
  • De kost van psychische gezondheidsstoornissen in Europa 240 miljard euro per jaar zou bedragen (Europees agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk ).[8]
  • De Belgische arbeidsmarkt het afgelopen jaar 19.000 gevallen van burn-out telde, aan een gemiddelde van 189 dagen “verzuim”.  50% van de RIZIV-betalingen voor primaire ongeschiktheid is verbonden met stress en burn-out.
  • Wetgeving een eerste stap is in de aanpak van burn-outs. Een onderzoek bij HR-professionals wijst echter uit dat dit niet voldoende is. Ook externe factoren hebben een impact op de stressbeleving van werknemers, bijvoorbeeld de conjunctuur, de situatie op de arbeidsmarkt, technologische evoluties, de mobiliteitsproblematiek, de (sociale) media enzovoort. Deze kunnen de jobonzekerheid doen toenemen en er valt niet veel aan te doen.[9]
  • De studie van het Institute of NeuroCognitivism die toont dat naar schatting 15 % van de werkende Belgen met een burn-out kampt, en dat de ‘zachte’ sectoren zoals de zorgsector en het onderwijs het meest kwetsbaar zijn. De cultuursector is ook zo’n ‘zachte’ sector. Het is duidelijk dat cultuurwerkers op heel diverse manieren opereren en in de wereld staan. Toch tonen getuigenissen uit alle hoeken van de sector aan dat veel van de voorgenoemde risicofactoren inderdaad eigen zijn aan het cultuurlandschap van vandaag.
  • Een onderzoek naar de werkomstandigheden in creatieve loopbanen in 9 Europese landen van cultuursocioloog Pascal Gielen en SMart vanaf april 2014.[10] Uit deze figuren blijkt dat bijna 65 % van de jonge creatieve professionals zich zorgen maakt over de toekomst. Naarmate de loopbaan vordert neemt deze ongerustheid over de toekomst wel af, maar wordt het steeds moeilijker om een evenwicht te vinden tussen vier domeinen binnen een culturele job: het domestiek domein, het domein van de peers, het marktdomein en het civiele domein

 

        Vraagt de Vlaamse Regering:

Op vier vlakken initiatief te nemen om burn-out in de cultuursector efficiënt aan te pakken:

  • Onderzoek

Ten eerste is er een brandende nood aan meer  onderzoek. Het algemene burn-outonderzoek begint zijn vruchten af te werpen en wordt meegenomen in het federale en Vlaamse beleid, maar het sectorspecifieke onderzoek staat nog in zijn kinderschoenen. Nochtans is het duidelijk dat een diverse sector als de culturele specifieke aandachtspunten heeft als het aankomt op de bestrijding van spanningsklachten en burn-out. Onderzoek rond zulke thema’s moet gestimuleerd worden, want meten is weten.

 

  • Preventie

Om snel in te spelen op de bezorgdheden die vandaag alom geuit worden, moeten we nagaan of de algemene preventiemethodes die reeds zijn ontwikkeld voor burn-out ook op de cultuursector geschraagd kunnen worden. Reeds bestaande organisaties als voeljegoedophetwerk.be en Geestelijk Gezond Vlaanderen dienen zich ook tot kunstenaars te richten. Ook moet nagedacht worden over een beter sociaal statuut voor flexiwerkers in de cultuursector.

 

  • Proeftuinprojecten

Er moeten op de werkvloer proeftuinprojecten worden opgestart, zoals de Gentse kunstenwerkplaats TimeLab, zodat duidelijk wordt wat in deze specifieke omgeving werkt en wat niet. Door alle spelers binnen de sector bewust te maken van de problematiek en hen uit te nodigen om oplossingen te bedenken en te implementeren, kunnen good practices ontwikkeld worden.

 

  • Aanspreekpunt

Om verbeteringen mogelijk te maken en de taboesfeer rond het onderwerp weg te nemen moet er een aanspreekpunt komen voor cultuurwerkers die kampen met spanningsklachten of een burn-out. Zo kan ook de kennis die wordt opgedaan in de proeftuinprojecten efficiënt gedeeld worden.

 

Via één of meerdere hoorzittingen in de commissie Cultuur, Jeugd, Sport en Media – hierop worden experten in de materie, ervaringsdeskundigen en wetenschappers uitgenodigd – worden deze aanbevelingen onderzocht, aangevuld en geconcretiseerd, zodat ze deel kunnen uitmaken van een initiatief van het Vlaams Parlement.

 

Yamila Idrissi

Bart Caron



[1] Schaufeli, W. B. & Van Dierendonck, D.; gebaseerd op Maslach en Jackson, 1986.

[2] Braeckman, L., Firket, P., Hansez, I. & Mairiaux, P., p. 11.

[3] Raes, B.

[4] ‘Landschapstekening Kunsten’, p. 21.

[5] Ibid., p. 21.

[6] Forrier, A., p. 15-16.

[7] ‘Stress & Burn-out. Dreiging voor werknemers… én werkgevers?’, p. 3.

[8] Ibid., p. 4.

[9] Ibid., p. 34.

[10] Gielen, P. & Volont, L., hoofdstuk ‘Stress en balans doorheen de creatieve loopbaan’.