Sinds 18 november begeleidt het Belgisch Marine schip Leopold I het Franse vliegdekschip Charles De Gaulle. Wat voor aanvang van de opdracht een standaard begeleidingsopdracht moest worden is sinds de gebeurtenissen van 13 november in Parijs niet meer zo standaard. Het schip Charles De Gaulle zet zijn gevechtsvliegtuigen in om bombardementen boven Syrië tegen Daesh uit te voeren. Tijdens die operaties staat ons marineschip klaar om de Charles De Gaulle te beschermen met al haar middelen. Dit houdt in dat alle wapens aan boord (torpedo’s, luchtverdedigingswapens en surface tot surface missiles) op scherp staan. Klaar om met één druk op de knop gelanceerd te kunnen worden

Ondanks de hierboven beschreven omstandigheden werkt het personeel aan boord volgens de wettelijke bepalingen die vallen onder deelstand 2. Deelstand 2 omschrijft de volgende taken: “handhaving van de orde” en “waarnemingsinzet”. De deelstand waarbinnen de militairen aan boord werken is dezelfde als deze van militairen die zandzakjes vullen.

Tijdens deze operatie wordt niet enkel waargenomen. Het vliegdekschip wordt beschermd, alle wapens zijn geladen, klaar voor onmiddellijke inzet. Gezien de verhoogde risico’s die deze missie met zich meebrengt lijkt deelstand 2 mij ruim onvoldoende. Bovendien werden in het verleden operaties uitgevoerd met minstens dezelfde risico’s, en dit met een verhoogde deelstand 3 (beschermingsinzet) tot 4 (passieve gewapende inzet).  Ik heb het dan onder andere over de operaties Atalanta en Unifil. De risico’s en bedreiging van de Inherent Resolve operatie lijkt mij op zijn minst van dezelfde aard.

België neemt deel aan een operatie. We zitten in een coalitie en zijn bondgenoot van een natie in oorlog tegen Daesh. Indien onze Defensie zich engageert voor dergelijke opdrachten dient het personeel op een juiste, rechtvaardige manier betaald te worden volgens de wettelijke bepalingen die bestaan.