Mondelinge vraag:

Mijnheer de minister,

Blijkbaar gebeurt het regelmatig dat incassobureaus, die instaan voor de inning van facturen bij schuldenaars, schulden gaan overkopen zodat zij ze kunnen opeisen.

Artikel 1690 van het burgerlijk wetboek bepaalt evenwel: ‘De overdracht kan slechts tegen de gecedeerde schuldenaar worden ingeroepen vanaf het ogenblik dat zij aan de gecedeerde schuldenaar ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend.’

In de praktijk gebeurt deze kennisgeving niet en is er geen erkenning door de schuldenaar.

Mijnheer de minister,

1.       Bent u op de hoogte van deze oneigenlijke werkwijze om schulden te innen?

 2.       Welke maatregelen zal u nemen om dergelijke praktijken te voorkomen?

Antwoord minister Geens:

Mevrouw Lambrecht, ik wil vooreerst bevestigen dat de overdracht van schuldvordering ook in de door u beschreven situatie ter kennis dient te worden gebracht van de gecedeerde schuldenaar om aan hem tegen werpelijk te zijn. Het betreft echter geen formele kennisgeving in de zin van artikel 32 van het Gerechtelijk Wetboek. De wetgever beoogt in het algemeen iets aan iemand mee te delen,waarmee wordt bedoeld dat de manier waarop de overdracht aan de schuldenaar wordt meegedeeld, vrij kan gekozen worden op voorwaarde dat het schriftelijk gebeurt.

De eis van een geschrift wordt onontbeerlijk geacht om te voorkomen dat de gecedeerde schuldenaar verplicht wordt rekening te houden met een zuiver mondelinge mededeling. Ook dient erop gewezen te worden dat de wetgever bewust niet opteerde voor een kennisgeving bij aangetekende brief, aangezien uit de rechtsleer bleek dat die ook een aantal nadelen heeft, die hem ondoeltreffend maken. Daarnaast kan de overdracht ook erkend worden. Sinds de wet van 6 juni 1994 is niet meer vereist dat de erkenning in een authentieke akte wordt vastgelegd. Ze kan ook minder formeel gebeuren. Het Hof van Cassatie besliste in zijn arrest van 19 november 2015 overigens dat uit de loutere kennis die de gecedeerde schuldenaar heeft van de overdracht van schuldvordering, niet kan worden afgeleid dat hij die overdracht ook erkent.Ik ben niet op de hoogte van de praktijken die u aanhaalt. Hoe dan ook ben ik voorstander van een efficiënte invorderingsprocedure, die nutteloze kosten voor beide partijen zoveel mogelijk vermijdt. Ik verwees al naar het bestaan van de administratieve invorderingsprocedure voor onbetwiste B2B-geldschulden, die sneller en goedkoper is en die nutteloze rechtszaken vermijdt. Zoals ik u reeds had aangegeven, wordt die administratieve procedure momenteel geëvalueerd en wordt bekeken in hoeverre het toepassingsgebied van die procedure zoals vastgelegd in artikel 1394/20 van het Gerechtelijk Wetboek, eventueel in de toekomst zou kunnen worden uitgebreid naar andere onbetwiste geldschulden dan louter dewelke ontstaan in een B2B-context.Dergelijke buitengerechtelijke procedures kunnen ook bijdragen tot een daling van het aantal overdrachten van schuldvorderingen aan incassobureaus.

Ten slotte wil ik er in het algemeen op wijzen dat de wet van 20 december 2002 betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument, die de modaliteiten van de minnelijke invordering van schuldvorderingen regelt, een aantal misbruiken ter zake beteugelt.