Mondelinge vraag:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, eind juni kondigde u nieuwe maatregelen aan om de overbevolking in de gevangenissen aan te pakken. Een van deze maatregelen was het week-om-weekstelstel voor gedetineerden die veroordeeld zijn tot straffen van 3 tot 10 jaar effectief. Concreet brengen zij een week in de cel door, waarna zij een week naar huis kunnen. De week thuis telt mee als straf, maar tijdens deze week is er geen enkele vorm van controle, ook niet via elektronisch toezicht.

De beslissing over wie het nieuwe regime krijgt, ligt niet bij de strafuitvoeringsrechtbanken die toezien op het reïntegratietraject en de vrijlatingsvoorwaarden van een gedetineerde, maar bij de dienst Detentiebeheer van de FOD Justitie en de gevangenisdirecties.

De nieuwe regeling leidt tot wantoestanden die maatschappelijk nog moeilijk te verantwoorden zijn. Zo is er sprake van gedetineerden die tijdens de week buiten de gevangenis de zon opzoeken in het zuiden en de week erna bruingebrand terug aankomen in de gevangenis. Zo is er ook sprake van gedetineerden die tijdens hun verlofweek bijklussen in het zwart of hervallen in oude gewoontes, zoals drugshandel of drugsgebruik.

Ook vanuit professionele hoek klinkt er steeds meer kritiek op die maatregel. Eerst klaagden de vakbonden over de vergrote werkdruk, nu trekken de magistraten en de advocatuur aan de alarmbel en wijzen zij op het doorkruisen van de re-integratietrajecten en het vergroten van de kans op recidive. Kortom, louter en alleen om de druk van de ketel te halen in de gevangenissen, wordt een heel systeem op de helling gezet, met heel wat mogelijke gevolgen.

Mijnheer de minister, hoe gaat u om met de kritieken op het systeem dat u in juni eenzijdig, zonder overleg of debat, hebt ingevoerd? Hoe zult u het broodnodig vertrouwen in de strafuitvoering herstellen?

Antwoord minister Geens

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Pas en mevrouw Lambrecht, eerst en vooral wil ik de achtergrond schetsen waartegen de beslissing inzake het alternerend verlof werd genomen.

Inzake de graad van overbevolking in de gevangenissen werd ik in het voorjaar van 2017 geconfronteerd met een situatie die alle tekenen vertoonde van het zich langzaam maar zeker ontwikkelen van een nieuwe humanitaire crisis in de gevangenissen. De daling van de capaciteit met ruim 300 plaatsen ingevolge de sluiting van een tweede vleugel in de gevangenis te Vorst en het verlies van twee paviljoenen te Merksplas had zich geënt op de stopzetting van de huur van de gevangenis in Tilburg. Bijkomend capaciteitsverlies van ruim 300 plaatsen in combinatie met een toename van de gevangenisbevolking met een 500-tal gedetineerden tussen oktober 2016 en mei 2017 miste zijn effect niet en had bijvoorbeeld tot gevolg dat enkele honderden gedetineerden terug op de grond moesten slapen.

Deze humanitaire dreiging, vanwege de spanningen die ze met zich meebracht alsook de onvermijdelijk toenemende werklast om die spanningen ongedaan te maken, was de directe aanleiding voor deze beslissing, en niet het louter willen streven naar werklastvermindering, laat staan het op een geforceerde wijze willen terugdringen van het gevangenisbevolkingscijfer.

Na overleg met de penitentiaire administratie heb ik ervoor gekozen om het uitgebreid penitentiair verlof in te voeren. Die optie is niet zonder de nodige voorzichtigheid genomen. In eerste instantie is het uitgebreid penitentiair verlof enkel van toepassing op veroordeelden die reeds aangetoond hebben dat zij met goed gevolg een verlofcyclus hebben doorlopen. Ten tweede worden gedetineerden die veroordeeld zijn tot zware straffen uitgesloten. Ten derde, in elk dossier dient nagegaan te worden of de plaatsing van de veroordeelde in die verlofvariant geen recidive of onttrekking met zich zou meebrengen.

Ook in de latere uitvoering blijft dit een aandachtspunt.

Momenteel bevinden zich ongeveer 280 gedetineerden in dit systeem. Ik was niet in de mogelijkheid om binnen dit korte tijdsbestek de gegevens per inrichting te verzamelen, maar op dagbasis vertoefden op 21 september 143 personen onder dit stelsel, dus ongeveer de helft van het totaal aantal gedetineerden in dit stelsel.

U verwijst naar enkele punten van kritiek die op dit stelsel worden gegeven. Binnen het DG Penitentiaire Inrichtingen verzamelt men op dit ogenblik de gegevens die mij zullen toelaten het systeem te evalueren. Zonder op de resultaten van die evaluatie te willen vooruitlopen, durf ik toch al met enige overtuiging te betwijfelen of veel van deze punten van kritiek het niveau van de anekdotiek overstijgen.

Dat gedetineerden deze modaliteiten massaal zouden misbruiken om voort misbruiken te plegen, kan alsnog niet door feiten worden aangetoond. Het aantal mislukkingen waarvan gewag wordt gemaakt, is uiterst beperkt. Ik merk ook niet dat deze gedetineerden wegens het plegen van nieuwe feiten onder aanhoudingsmandaat worden geplaatst.

Dat gedetineerden tijdens het verlof niet verder aan hun re-integratie zouden werken, moet worden bewaakt, maar al even anekdotisch kan ik verwijzen naar de gedetineerden van de gevangenis te Ruiselede die onder dit stelsel vallen en waarvan quasi de helft wel degelijk een job heeft tijdens hun week verlof. Men kan bezwaarlijk stellen dat dit zwartwerk zou zijn. In dat geval zouden wij het niet weten.

Met betrekking tot de opvolging van de gedetineerden in dit stelsel kan ik bevestigen dat de opvolging via de psychosociale dienst voor dit verlof iets anders is dan voor het klassieke verlof. Los van het gegeven dat het toekennen van penitentiair verlof strikt genomen niet steeds dwingend gekoppeld is aan de voorbereiding van de sociale re-integratie, worden de gedetineerden wel degelijk bevraagd over de initiatieven die zij tijdens hun verlof hebben genomen en die hun re-integratie kunnen bevorderen. Van dit verlof wordt bovendien de procureur des Konings in kennis gesteld opdat hij zijn toezichthoudende bevoegdheden zou kunnen uitvoeren. Zoals gezegd zullen de maatregelen worden geëvalueerd, maar ik wil niet vooruitlopen op de mogelijke conclusies. Deze zullen worden gebaseerd op feitelijke elementen en niet op meningen, veronderstellingen en percepties allerhande.

Het penitentiair verlof maakt deel uit van het basisregime van de gedetineerden en is een prerogatief van de minister van Justitie, zoals bepaald in de wet van 2006 met betrekking tot de externe rechtspositie van de veroordeelden. Ik heb dus geen overleg gepleegd met de strafuitvoeringsrechtbanken die hun eigen bevoegdheden hebben in het kader van deze wet.

Ik ben mij ervan bewust dat dergelijke maatregelen veeleer uitzonderingen zijn, maar dat impliceert niet dat het om een machiavellistische maatregel zou gaan. Dat dit stelsel operationele consequenties heeft gehad, zij het lichte, ontken ik niet. Dat de begeleiding nog intensiever zou moeten zijn, betwist ik al evenmin. Mochten alle gevangenissen die in de masterplannen 1 en 2 waren gepland ook gebouwd zijn geweest, dan bevonden wij ons vandaag in een andere situatie.

De realiteit is dat voor initiatieven die de problemen waarmee het gevangeniswezen te kampen heeft moeilijk tot geen maatschappelijke consensus te vinden is en dat ik intussen moet roeien met de riemen waarover ik beschik.

In het Scandinavisch gevangenissysteem wordt terecht, want op basis van feiten, gesteld dat the most succesful prison system in the world also the most radically humane is, waarmee wordt aangetoond dat ook een humanitair gevangenisregime een wezenlijke bijdrage levert aan de kwaliteit van de penitentiaire strafuitvoering in het algemeen en tot de maatschappelijke veiligheid in het bijzonder. Vooraleer ons gevangenissysteem zich met het Scandinavisch gevangenissysteem kan meten, moet nog een belangrijke weg worden afgelegd.

Indien deze maatregel heeft bijgedragen tot detentieomstandigheden van gedetineerden, die vanuit humanitair standpunt aanvaardbaar zijn en dat kunnen blijven, dan durf ik hem te verdedigen.