Mondelinge vraag:

15.01 Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, uit het rapport van Child Focus met als titel Slachtoffers van tienerpooiers in Vlaanderen, blijkt dat er geen eenduidig beleid is wat betreft het vervolgen van tienerpooiers. Bepaalde tienerpooiers worden vervolgd op grond van mensenhandel, anderen op grond van bederf van de jeugd en prostitutie. Zeker wanneer het gaat om een kleinschalig dossier, een dossier met één tienerpooier en één slachtoffer, wordt de verdachte tienerpooier zelden vervolgd op grond van mensenhandel ondanks het feit dat het sinds 2013 niet meer vereist is dat een verdachte tot een bepaald netwerk behoort om te kunnen worden veroordeeld voor mensenhandel. Deze tweespalt in het vervolgingsbeleid heeft echter belangrijke consequenties. Er is immers een niet te verantwoorden verschil in strafmaat: De strafmaat voor bederf van de jeugd en prostitutie is strenger wanneer het slachtoffer jonger is dan 14 jaar — een gevangenisstraf van 15 tot 20 jaar tegenover 10 tot 15 jaar —, terwijl de strafmaat voor mensenhandel dan weer strenger is als het slachtoffer ouder is dan 16 jaar — een gevangenisstraf van 10 tot 15 jaar tegenover 5 tot 10 jaar. 

Wanneer het slachtoffer tussen 14 en 16 jaar is, voorziet de wet in dezelfde strafmaat, een gevangenisstraf van 10 tot 15 jaar. Bovendien kunnen de slachtoffers van mensenhandel ingevolge de richtlijn COL 01/2015 en de ministeriële omzendbrief van 26 september 2008 inzake de invoering van een multidisciplinaire samenwerking met betrekking tot de slachtoffers van mensenhandel en/of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel, genieten van een specifiek beschermingsstatuut terwijl dat niet het geval is voor de slachtoffers van bederf van de jeugd en prostitutie. Tienerpooierschap hangt bovendien nauw samen met de problematiek van digitale vormen van grensoverschrijdend gedrag. 

De misdrijven verspreiden van kinderporno en grooming zijn al opgenomen in ons strafwetboek. Het begrip kinderpornografisch materiaal werd recent nog verduidelijkt. Bij grooming daarentegen rijzen nog altijd grote vraagtekens. Bijvoorbeeld, waarom moet er een voorstel tot ontmoeting zijn vooraleer grooming strafbaar is? Waarom moet het voorstel tot ontmoeting worden gevolgd door materiële handelingen die tot de vermelde ontmoeting leiden om strafbaar te zijn? Wat met de poging tot grooming? Wat als een ontmoeting werd voorgesteld aan iemand die zich voordeed als jonger dan zestien jaar maar in werkelijkheid ouder was, bijvoorbeeld een ouder, broer of zus of een politieambtenaar, zonder dat de groomer zich daarvan bewust was? Daarnaast heeft de groei van sociale media ook tot gevolg dat heel wat nieuwe seksuele delicten zijn ontstaan die tegenwoordig moeten worden beteugeld door strafbaarstellingen verspreid over het strafwetboek. Ik denk aan wraakporno: afbeeldingen of video's van een al dan niet geheel naakte persoon die vrijwillig aan een ander, vaak de partner, zijn gegeven of door deze zijn gemaakt, die deze op een later moment en zonder toestemming van de eerste persoon verspreidt of dreigt te verspreiden. Ik denk ook aan sextortion: gedrag waarbij seksueel materiaal wordt vergaard waarmee de afgebeelde vervolgens wordt afgeperst. Of ik denk aan sexting bij jongeren: het aanmaken, online doorsturen en delen van seksueel getinte berichten of beelden via gsm of internet. 

n Nederland is een wetsvoorstel tot modernisering van de zedenwetgeving in voorbereiding. Het doel is om onder meer digitaal gepleegde zedenmisdrijven een duidelijke plaats te geven in het wettelijke kader. Mijnheer de minister, ten eerste, hoeveel veroordelingen voor tienerpooierschap werden de voorbije drie jaar  in België uitgesproken en op grond van welke strafrechtelijke kwalificaties werden de daders veroordeeld? Ten tweede, hoe moet de tweespalt in het vervolgingsbeleid van tienerpooiers volgens u worden opgelost? Vindt u dat tienerpooierschap als specifieke verschijningsvorm van mensenhandel van minderjarigen moet worden geëxpliciteerd in de richtlijn COL 01/2015 zodat vervolgingen altijd op grond van mensenhandel plaatsvinden? Zo ja, zult u dan de strafmaat aanpassen zodat een onderscheid wordt gemaakt tussen minderjarigen jonger of ouder dan 14 jaar? Of vindt u dat de strafmaten voor mensenhandel, bederf van de jeugd en prostitutie met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht met behoud van de strenge straffen, zijnde bij slachtoffers tussen 14 en 18 jaar een gevangenisstraf van 10 tot 15 jaar, en bij slachtoffers onder de 14 jaar een gevangenisstraf van 15 tot 20 jaar, zodat de daders dezelfde straffen riskeren ongeacht de strafrechtelijke kwalificatie waarvoor zij worden vervolgd? Ten derde, op grond van welke strafrechtelijke kwalificaties worden bovenvermelde vormen van digitaal seksueel grensoverschrijdend gedrag, wraakporno, sextortion en sexting bij jongeren vandaag beteugeld? Ten vierde, bent u van oordeel dat deze nieuwe vormen van digitaal seksueel grensoverschrijdend gedrag als afzonderlijke misdrijven dienen te worden opgenomen in ons Strafwetboek? 

Antwoord:

15.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, de loverboymethodiek is een techniek die mensenhandelaars hanteren, vooral ten aanzien van minderjarigen, maar ook ten aanzien van volwassen vrouwen. Een feitenanalyse en de profielen van het slachtoffer en de dader dienen inzicht te verschaffen of er vervolgd moet worden, op basis van artikel 433 quinquies, mensenhandel, en/of artikel 379, bederf jeugd en prostitutie, van het Strafwetboek. Uit de laatste cijfers blijkt dat er in 2015, 2016 en 2017 respectievelijk 30, 38 en 20 veroordelingen waren voor mensenhandel, met de verzwarende omstandigheid dat de feiten werden gepleegd ten aanzien van een minderjarige. Dit betekent echter niet dat deze gevallen systematisch onder de noemer loverboys vallen. Op basis van de evaluatie in 2014 van de ministeriële omzendbrief van 26 september 2008 inzake de invoering van een multidisciplinaire samenwerking met betrekking tot de slachtoffers van mensenhandel, werden verschillende rechtsinstrumenten aangepast teneinde het fenomeen van de loverboys beter te bestrijden. Zo werd het hoofdstuk inzake minderjarige slachtoffers destijds aangepast en werd er specifiek aandacht gevestigd op het fenomeen loverboys. Daarnaast werd ook de omzendbrief van het College van procureurs-generaal en de bevoegde ministers betreffende de opvolging, opsporing en vervolging aangepast, waardoor voorzien werd in een betere communicatie tussen de referentiemagistraten mensenhandel en de jeugdmagistraten. In verband met sexting, grooming en wraakporno kan ik u meedelen dat wraakporno via artikel 371.1 van het Strafwetboek strafbaar werd gesteld en grooming via artikel 377 quater van het Strafwetboek. Sexting is als dusdanig geen afzonderlijk misdrijf, maar kan naargelang de aard van de feiten onder reeds bestaande strafbepalingen van het Strafwetboek vallen, zoals voyeurisme, wraakporno, artikel 371.1, het verspreiden van kinderpornografische beelden, artikel 383 bis, of het verspreiden van geschriften, afbeeldingen of prenten die strijdig zijn met de goede zeden, artikel 383. Het kan ook een eerste stap zijn binnen het groomingproces. De verschillende aangehaalde delicten die een seksueel karakter hebben en een ernstige inbreuk plegen op de integriteit van een persoon en bovendien steeds meer gelinkt zijn aan IT en sociale media, vragen bijzondere aandacht. Ik wens dan ook te wijzen op de werkzaamheden van de commissie Strafwetboek, die niet alleen de strafmaten maar ook de verschillende aspecten van deze delicten zal opnemen en aanpassen, zodat deze ernstige feiten verder op een adequate manier kunnen worden aangepakt. 

15.03 Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik heb nog één vraag. In Nederland is een wetsvoorstel ter modernisering van de zedenwetgeving in voorbereiding. Is hetzelfde hier mogelijk? Nu wordt dit immers allemaal afzonderlijk gezien, terwijl men dit evengoed zou kunnen groeperen onder een apart hoofdstuk. 

15.04 Minister Koen Geens: Het nieuw strafwetboek zal een nieuwe kijk brengen op de zedenmisdrijven.