Mondelinge vraag:

Mijnheer de minister,

Personen met financiële problemen betalen vaak hun openstaande schuld(en)gespreid terug. Schuldeisers/schuldinvorderaars rekenen hiervoor meestal interesten en/of (gerechts)kosten aan.
De afbetalingen worden dan in eerste instantie toegerekend op de (gerechts)kosten en de lopende interesten. Wanneer de schuldenaar slechts beperkte bedragen kan afbetalen heeft dit tot gevolg dat het openstaande bedrag van de hoofdsom niet of slechts heel langzaam afgebouwd wordt. De trage afbouw (of het gebrek aan afbouw) van de openstaande hoofdsom heeft dan weer tot gevolg dat de interesten steeds weer op het initieel verschuldigde (of heel langzaam dalende) bedrag berekend worden. Dit kan leiden tot een schuldenspiraal waar men niet meer uitgeraakt en die bij wijze van spreken uitsluitend de invorderaar(s) ten goede komt. 

Met als slotsom dat de gedupeerden zelf niets of nauwelijks iets terug zien van de oorspronkelijke schuld. Artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek voorziet nu immers dat betalingen pas toegerekend kunnen worden op de hoofdsom nadat deze toegerekend werden op de interesten. 

Enkel mitstoestemming van de schuldeiser kan dit omgekeerd worden.

mijn vragen:

1.      Acht de minister het wenselijk de afkortingen eerst op de hoofdsom aan te rekenen en pas in verdere instantie op de kosten en interesten om zo de schuldenspiraal sneller te stoppen?

2.      zoja, welke  initiatieven zal hij nemen?

Antwoord Minister Geens

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, zoals u wellicht weet, buigen verschillende werkgroepen zich momenteel over de hercodificatie van het Burgerlijk Wetboek. Het doel van die oefening is om aan het Burgerlijk Wetboek terug zijn centrale plaats te geven in het privaatrecht. Daartoe wil de oefening zoveel als mogelijk alle vermogensrechtelijke betrekkingen tussen burgers regelen op een systematische, rationele en bevattelijke wijze, waardoor het recht meer toegankelijk is voor de burgers, en dat op een wijze die beantwoordt aan de noden van de burgers en gedragen wordt door opvattingen die leven in de maatschappij.

Het verbintenisrecht neemt als sluitstuk voor het gehele vermogensrecht in deze hervormingen een centrale plaats in. Uw vraag betreft precies een aspect van dit verbintenisrecht, met name het tenietgaan van verbintenissen door betaling, en werd dan ook bezorgd aan de werkgroep die zich buigt over de hervorming van het verbintenisrecht. Deze werkgroep heeft in een eerste reactie aangegeven dat artikel 1254, waarnaar u in uw vraag verwijst, stelt dat de bepaling die op het kapitaal en de intresten wordt gedaan, maar waarmee de gehele schuld niet is gekweten, in de eerste plaats wordt aangerekend op de intresten. Kosten gemaakt door de schuldinvorderaars gelijkstellen met de in dit artikel bedoelde intresten lijkt de werkgroep alvast een zeer en wellicht te ruime lezing van artikel 1254. Dit lijkt een apart probleem te zijn in wezen, dat misschien in een afzonderlijke bepaling van het gehercodificeerd Burgerlijk Wetboek kan worden geregeld. De werkgroep denkt erover na. Verder wijst de werkgroep erop dat uw vraag één aspect betreft van het delicate evenwicht tussen de rechten en plichten van schuldeiser en schuldenaar, dat door het huidige Burgerlijk Wetboek werd vastgelegd. De werkgroep zal het idee dat u oppert, namelijk om de afkortingen eerst op de hoofdsom aan te rekenen en pas nadien op de intresten, verder bestuderen in het kader van de zoektocht naar een nieuw evenwicht tussen de rechten en plichten van schuldeiser en schuldenaar, dat uiteindelijk zijn neerslag moet vinden in een gehercodificeerd Burgerlijk Wetboek.