Mondelinge vraag

Mijnheer de minister,

Een minderjarige kan tot na zijn 18 jaar in een jeugdinstelling verblijven.

Overeenkomstig de regelgeving inzake pro deo bekomen minderjarigen in dossiers die hun aanbelangen een pro deo advocaat. Bij het bereiken van de meerderjarigheid vervalt evenwel dit recht. Als de jongmeerderjarige dan beroep wil doen op een pro deo advocaat maar zijn domicilie heeft op het adres van de ouder(s),  worden de inkomens van de ouder(s) in aanmerking genomen.

Daar kan zich een nieuw probleem stellen, met name dat het contact met de ouder(s) compleet verbroken is of dat de ouder(s) om welke reden ook om zo te zeggen ‘niet beschikbaar’ is.

Mijn vraag is of het mogelijk is voor die specifieke dossiers alsnog het recht op een pro deo advocaat toe te laten en op welke wijze dan wel?

Antwoord minister Geens

Ik verwijs naar het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid  van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand.

De minderjarige geniet inderdaad een onweerlegbaar vermoeden van ontoereikendheid van bestaansmiddelen (artikel 1, §4, van het KB), waardoor hij of zij geniet van volledige kosteloosheid ongeacht de specifieke situatie waarin de minderjarige zich bevindt.

De minderjarig die meerderjarig is geworden en die verschijnt in het kader van de wet op de jeugdbescherming voor feiten die hij of zij tijdens de minderjarigheid heeft gepleegd, wordt door de bureaus voor juridische bijstand beschouwd als minderjarige en zal dus het onweerlegbaar vermoeden blijven genieten.

Vanaf de leeftijd van 18 jaar moet het recht op juridische bijstand worden beoordeeld door het bureau voor juridische bijstand aan de hand van de gebruikelijke criteria (weerlegbaar vermoeden of bestaansmiddelen). Het bureau voor juridische bijstand beschikt geval per geval over een appreciatiemarge en kan, aan de hand van bewijsmiddelen, de bijzondere situatie in aanmerking nemen van de meerderjarige die het contact met de ouders is verloren.

Tot slot: indien de meerderjarige gedomicilieerd is bij de ouders, maar zijn of haar belangen strijdig zijn met deze van de ouders, wordt er met het inkomen van laatstgenoemden geen rekening gehouden (artikel 1§1, vijfde lid, van het KB)