Mondelinge vraag:

Mijnheer de minister,

Onlangs las ik in de krant dat de rechtbank van eerste aanleg in Hasselt - na een procedure van een wedkantoor tegen de Limburgse gemeenten Beringen, Heusden-Zolder en Houthalen-Helchteren - heeft geoordeeld dat de inplanting van gokkantoren niet meer aan banden kan gelegd worden via een politiereglement.

Wedkantoren worden geregeld door de kansspelwet van 1999 en worden gecontroleerd door de Kansspelcommissie. Om een gokkantoor op te richten moet de kandidaat-uitbater zich aan strenge regels houden en een zware selectieprocedure doorlopen. Na deze procedure kent de Kansspelcommissie de vergunningen toe aan de uitbater van de wedkantoren.

In principe kunnen de uitbaters na het verkrijgen van een vergunning zich overal vestigen zolang zij voldoen aan het KB dat hun geografische spreiding regelt. Lokale overheden trachten echter vaak via een politiereglement te verhinderen dat wedkantoren op alle straathoeken verschijnen, bijvoorbeeld dichtbij scholen. De rechtbank van eerste aanleg in Hasselt heeft nu beslist dat het politiereglement niet boven de Kansspelwet kan staan en dat de uitbaters die een vergunning hebben verkregen ook met hun wedkantoor moeten kunnen starten.

De situatie is anders voor de uitbating van speelautomatenhallen. Hiervoor moet er een convenant zijn dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. De beslissing om een dergelijk convenant te sluiten behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeente. Het convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt gevestigd alsook de nadere voorwaarden, de openings- en sluitingsuren, alsook de openings- en sluitingsdagen. Bovendien voorziet de kansspelwet in een verbod op de inrichting van speelautomatenhallen in de nabijheid van o.a. onderwijsinstellingen en plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht. Dit zijn wettelijke instrumenten waarvan bijvoorbeeld mijn thuisstad Brugge eerder gebruik heeft gemaakt om een wildgroei aan lunaparken aan banden te leggen.

Vandaar mijn vraag mijnheer de minister: waarom kan er voor de wedkantoren geen zelfde regeling voorzien worden als voor de speelautomatenhallen, zodat de gemeenten hierin kunnen sturen?”

Antwoord minister Geens

Op maandag 19 juni is in het Belang van Limburg inderdaad een artikel verschenen waarbij melding wordt gemaakt van een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt dat oordeelt dat politiereglementen de vestiging van wedkantoren niet mogen verbieden.

De problematiek van de beperkte slagkracht van de gemeenten in de sector van de kansspelen op hun grondgebied is me sinds enige tijd duidelijk. Daartoe ontmoette mijn beleidscel reeds op 13 april de Vereniging Voor Steden en Gemeenten (VVSG) met de bedoeling concrete beleidsmaatregelen met betrokkenheid van de gemeentes uit te werken. Op 15 mei maakte de VVSG zijn voorstellen over die door mij reeds in de interkabinettenwerkgroep van 6 juni over het eerste pakket kansspelreglementering werden gebracht. Ook de gemeente kan inderdaad een belangrijke rol spelen in de controle van kansspelen en de bescherming van de speler.

In mijn wetsontwerp is een regeling voor de vestiging van nieuwe wedkantoren opgenomen die gelijkaardig is aan deze voor de speelhallen. In artikel 43/4 van de kansspelwet wordt voorzien dat de wedoperator een convenant afsluit met de gemeente van vestiging, als voorwaarde voor het verkrijgen van een vergunning van de kansspelcommissie. Het convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt gevestigd, alsook de nadere openings- en sluitingsuren, en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt.

Om de positie van de gemeente te versterken wordt bovendien in art. 43/5 voorzien dat de kansspelinrichting niet mag worden gevestigd in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, en plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, tenzij de gemeente dit met redenen omklede afwijking toestaat.

Ik ben verheugd u te kunnen meedelen dat alvorens u de vraag stelde, er al rekening werd gehouden met uw bekommernissen.