Ik behoor nog tot de afkalvende groep van landgenoten die hun belastingaangifte op papier indienen, mijn jaarlijkse deadline voor het vervullen van die plicht komt vandaag dus weer genadeloos dichterbij. Daarmee heb ik al één kwakkel tegengesproken: politici betalen wel degelijk belastingen. En ik wil er meteen ook een tweede uit de wereld helpen: in de veronderstelling dat ik als voorzitter nu namens alle socialisten mag spreken, kan ik u zeggen dat ook wij dat niét per se leuk vinden.

"Er zijn landen waar tax freedom day al in februari valt, maar waar niemand van ons zou willen wonen"

Precies omdat we die frisse tegenzin om een deel van ons inkomen af te geven delen met zowat iedereen op deze wereld, is iemand ooit op het onzinnige idee gekomen om een 'tax freedom day' in het leven te roepen. Dat is de dag waarop we - in theorie - genoeg gewerkt hebben om onze belastingbijdrage voor dat jaar te betalen. Waarna we verder 'voor onszelf' kunnen werken.

Zoals vaak het geval is met simpele en goed klinkende concepten is ook tax freedom day wel degelijk onzin. In de eerste plaats omdat in een systeem van progressieve belastingen niet iedereen aan dezelfde aanslagvoet belast wordt. En maar goed ook overigens. Voor wie in een lage belastingschijf zit valt hij veel eerder dan voor anderen, die hogere aanslagvoeten betalen. Voor de ergste fraudeurs valt hij zelfs al op 1 januari, maar dat is voor een volgende column.

Tax freedom day is vooral onzin omdat het merendeel van de belastingdruk in ons land dient om diensten te financieren waar we met zijn allen ook enthousiast gebruik van maken. Zoals de mogelijkheid om voor een bescheiden bedrag beroep te doen op de diensten van hooggekwalificeerde artsen in goed uitgeruste ziekenhuizen. Of het recht om geen vignet op onze wagen te moeten plakken voordat we de autosnelweg op draaien. Of de keuze die we hebben tussen een verblijf in een gesubsidieerd rusthuis, of thuis blijven met hulp die via dienstencheques of persoonlijke assistentiebudgetten betaalbaar wordt gemaakt.

Met belastinggeld voorzien we in de middelen om terreinen aan te leggen voor de sportclubs waarvan we lid zijn. Het geld waarmee we de scouts, de muziekschool, de zomeranimatie of het jeugdhuis waar onze kinderen gebruik van maken betoelagen. Waarmee we kinderopvang betaalbaar houden, zodat ouders een job kunnen uitoefenen, en waarmee we onderwijs goedkoop houden zodat het loon dat ze daarvoor krijgen niet moet dienen om een studiefonds te spijzen. Waarmee we een pensioen garanderen voor wie lang genoeg gewerkt heeft en lang genoeg bijgedragen heeft voor anderen.

Oliver Wendell Holmes, rechter in het Amerikaanse Supreme Court, zei het ooit zo: “Taxes are the price we pay for civilisation.” Anders gezegd, er zijn ongetwijfeld landen in deze wereld waar tax freedom day al ergens in februari valt, maar waar de meesten onder ons voor geen geld ter wereld zouden willen wonen. Laat staan hun kinderen proberen groot te brengen.

Uiteindelijk is de bijdrage die we ieder jaar weer in de gehate bruine enveloppe steken, de prijs van onze vrijheid. De vrijheid om niet in angst te leven dat we oud of ziek worden. De vrijheid om te gaan werken zonder een kapitaal te moeten uitgeven aan kinderopvang. De vrijheid om niet te moeten kiezen tussen een dak boven ons hoofd en een goeie opleiding voor onze kinderen. Om niet zelf te moeten zorgen voor waterzuivering en afvalophaling. Om te kunnen kiezen tussen de auto, de bus of het fietspad,... De lijst met voorbeelden is schier eindeloos.

Het enige correcte antwoord op gezeur over tax freedom day is dan ook dit: No Tax, No Freedom.