De resultaten van de Sociaaleconomische Monitoring schetsen een somber beeld van de diversiteit op onze arbeidsmarkt. Etnische minderheden doen het een pak slechter dan personen van Belgische origine. Concreet: ruim 817.000 personen van niet-Belgische origine werken niet. Wat een ongelofelijke verspilling van talent, wat een gemiste kans voor de hele maatschappij in tijden van vergrijzing. Het stelt niet enkel de draagkracht van onze sociale welvaartsstaat op de proef, maar ondergraaft ook het draagvlak voor solidariteit in de samenleving.

Mensen geraken vaak niet op eigen kracht uit de werkloosheid of de inactiviteit. Maar belangrijk, zonder de eigen kracht zal het ook niet lukken. Fatima mag zich niet neerleggen bij haar lot en Mariame moet haar inspanningen volhouden om Nederlands te leren. Emancipatie lukt enkel wanneer kansen ook gegrepen worden.

“Al wie poten en oren heeft, zal moeten werken”, reageert minister van Werk Monica De Coninck. Ik zou het zelf niet beter kunnen zeggen: we moeten mensen actief begeleiden naar een duurzame, kwaliteitsvolle job. Tegelijkertijd mogen we ook een inspanning terugvragen.

Vrouw en vreemd

Terug naar de Sociaaleconomische Monitor. Uit het vuistdikke rapport van cijfers wil ik op één aspect dieper ingaan: de zorgwekkende positie van vrouwen. We zien dat vrouwen veel vaker niet actief op de arbeidsmarkt zijn (33%) dan mannen (23%). Dat geldt voor alle bevolkingsgroepen (dus ook de Belgische), maar in sterkere mate voor de vrouwen van Turkse, Maghrebijnse, Afrikaanse of Russische origine (telkens 55% of meer). Ze worstelen met een dubbele handicap op de arbeidsmarkt: deze van ‘vrouw’ te zijn en ‘van vreemde origine’.

De cijfers doen me denken aan het verhaal van Fatima, een jonge vrouw die na een problematische schoolloopbaan van interim- naar interimjob sukkelt, om nadien gedemotiveerd thuis te blijven. Of het verhaal van Lena, een alleenstaande vrouw die thuis bij haar drie kinderen blijft omdat ze als deeltijdse poetsvrouw met dienstencheques te weinig verdient om kinderopvang te betalen. Of ten slotte het verhaal van de recent aangekomen Mariame, die door haar gebrekkig Nederlands moeilijk een job vindt.

Niet op eigen kracht

Het gaat stuk voor stuk om drie intelligente vrouwen die zonder werk thuis zitten. Ze zullen niet snel op eigen kracht uit deze betreurenswaardige positie geraken. Hun levensverhalen leggen immers drie grote pijnpunten bloot: onderwijs, kinderopvang en taalverwerving. Het is de roeping van een sociaaldemocratische maatschappij om bij te dragen tot de emancipatie van mensen op elk van deze domeinen.

Het is hier al vaak geschreven: er gaapt een grote sociale kloof in ons onderwijssysteem. Verschillende studies bevestigen dat de sociaaleconomische achtergrond van de ouders nog te veel invloed heeft op de keuze van een studierichting. Op die manier zitten kinderen niet in de juiste richting, waardoor ze moeten dubbelen of zakken, en ten slotte - zoals Fatima - gedemotiveerd afhaken. De nieuwe onderwijshervorming probeert net hiér iets aan te veranderen. En ook al wordt het vaak anders voorgesteld, gelijke kansen en uitmuntend onderwijs hoeven elkaar niet uit te sluiten. Beiden kunnen hand in hand gaan. We moeten het alleen wel willen.

Het probleem van de kinderopvang is een ander paar mouwen. Ik zie dagelijks de stresserende zoektocht naar betaalbare kinderopvang in de buurt. Wanneer je er zoals Lena thuis ook nog eens alleen voor staat en een laagbetaalde job hebt, dan is de keuze snel gemaakt. Als overheid moeten we hier helpen door te investeren in meer inkomensafhankelijke kinderopvangplaatsen, meer begeleiding van startende zelfstandige opvangdiensten en meer afgestudeerden in de richtingen ‘kinderverzorger’ of ‘begeleider in de kinderopvang’. De lokale steden en gemeenten dragen hier een belangrijke verantwoordelijkheid.

Ten slotte gaan we nog te krampachtig om met taal. Uiteraard moeten werknemers zich verstaanbaar kunnen uitdrukken in het Nederlands, maar in veel functies hoef je niet foutloos te kunnen schrijven in de taal van Gezelle en Rodenbach. Waarom passen we de taalvereisten niet aan de functie van de specifieke job aan? Hiermee geven we het doel van een perfecte Nederlandse taalbeheersing niet op: taal is hét emancipatiemiddel bij uitstek. Nieuwkomers zoals Mariame zullen op de werkvloer sneller Nederlands leren dan tussen de vier muren van een klaslokaal.

Trouwens deze zaken zijn niet enkel voor Fatima, Lena en Mariame belangrijk. Ook Sabine, een alleenstaande laaggeschoolde moeder, is gebaat met meer kinderopvang en de onderwijshervorming.

Niet zonder eigen kracht

Mensen geraken vaak niet op eigen kracht uit de werkloosheid of de inactiviteit. Maar belangrijk, zonder de eigen kracht zal het ook niet lukken. Fatima mag zich niet neerleggen bij haar lot en Mariame moet haar inspanningen volhouden om Nederlands te leren. Emancipatie lukt enkel wanneer kansen ook gegrepen worden. Je kan het niet van bovenaf opleggen. De overheid moet investeren, omkaderen en kordaat optreden tegen discriminatie, maar hier mogen we ook iets voor terugvragen. Dat is niet meer dan normaal.

En er moeten nog een aantal heilige huisjes sneuvelen, zoals de klassieke rolverdeling waarbij de man uit gaat werken en de vrouw thuis bij de kinderen blijft. Dit vastgeroeste patroon komt bij alle bevolkingsgroepen voor (ook bij de Belgische), maar terug veel sterker bij een aantal specifieke minderheidsgroepen. Iedere gezinssituatie is uniek en het is als buitenstaander moeilijk om uit te maken of dit een bewuste keuze van de vrouwen is, maar het hoge percentage huismoeders suggereert toch het omgekeerde. De verschillende gemeenschappen - vrouwen én mannen - moeten hierover de discussie durven aangaan.

Maar om met een positieve noot te eindigen: er is beterschap op komst. Uit cijfers van de Wereldbank blijkt dat de activiteitsgraad van vrouwen in de landen van herkomst ofwel reeds hoog is ofwel gestaag maar zeker stijgt. Als het daar kan, waarom dan hier niet?