Met deze titel werd de allereerste Van Miert lezing in Gent gehouden. In de welkomspeech  wilde ik even stilstaan bij de opdracht die we volgens mij als Vlaamse socialisten hebben in eigen land, Europa en de wereld.  Want, voor wie er zou aan twijfelen, de horizon van sp.a reikt veel verder dan pakweg de grenzen van Brussel-Halle-Vilvoorde. 

Het is mijn diepste overtuiging dat we als partij de wereld niet mogen loslaten. Dat is ook de les die Karel Van Miert, naar wie we deze lezingenreeks bij wijze van huldebetoon hebben genoemd, ons altijd heeft meegegeven. Onder Van Miert liep de socialistische partij hand in hand met de vredesbeweging. En later, in Europa, herinnerde hij er ons elke dag aan dat de vrije markt in Europa nood heeft aan multilateraal afdwingbare spelregels.

Karel is er jammer genoeg niet meer, maar de situatie in België, Europa en de wereld vandaag leert ons dat zijn politieke erfenis brandend actueel is. De oorlogen in Irak en Afghanistan, de gespannen relaties tussen kernmachten Indië en Pakistan en de nucleaire potentie van Iran en Noord-Korea bewijzen dat de wereld een brandhaard blijft die nood heeft aan sterke, pacifistische actie. En de bancaire en economische crisis bewijst dat er niet minder maar meer overheidsinterventie nodig is in een gecoördineerd Europees en mondiaal verband. We kunnen in eigen land wel zorgen voor een sociaal gecorrigeerde en groenere markteconomie, maar de top van Kopenhagen heeft ons jammerlijk genoeg ook gewezen op de grenzen van de supranationale overheden.  Meer is nodig, meer is mogelijk.

In zekere zin biedt de crisis ons als socialisten een historische kans. De crisis heeft voor veel mensen overal ter wereld een aantal ideologische beginselen opnieuw op scherp gesteld. Eind vorig jaar peilde de BBC onder 29.000 mensen in 27 landen naar hun attitude tegenover het kapitalisme. Slechts elf procent zei tevreden te zijn met het kapitalistisch systeem. De meerderheid vond dat hervormingen broodnodig waren en dat de overheid wel degelijk een cruciale rol te spelen heeft in de herverdeling van welvaart en welzijn. We hebben de afgelopen weken ook in eigen land gezien, bij Opel of InBev, hoe de solidariteitsgedachte heropleeft na vele, kille jaren van marktliberalisme. 

Anders gezegd, de crisis heeft geleid tot een herwaardering van een aantal essentiële ideeën en inzichten die na de val van de Muur, en in de euforische jaren van het ultra-liberalisme die daarop volgden, al op de schop waren gedaan. Vrijhandel heeft wereldwijd misschien mensen uit de armoede gehaald, ongebreidelde vrijhandel heeft ook tot drama’s geleid. Tot een roofbouw op onze planeet, tot abominabele werkomstandigheden en kinderarbeid. En tot een niet aflatende druk op vooral laaggeschoolden in de industriële sectoren in Europa. De crisis heeft geleid tot het inzicht dat een ongebreidelde markt niet alleen druk uitoefent op de sociale bescherming, maar finaliter ook de markt zelf vernietigt.

Het is op zich veelzeggend en nieuw dat er in Washington of in de G20 publiek wordt geopperd dat de globalisering nood heeft aan sturing, dat de markt regels nodig heeft en dat banken moeten worden aangesproken op de risico’s die ze nemen en op de onethisch hoge bonussen die ze uitkeren. Dat klinkt verfrissend, komende uit gremia waar tien, twintig, dertig jaar de vrije markt werd aanbeden onder het motto There Is No Alternative.

Maar we mogen het als socialisten natuurlijk niet aan die late bekeerlingen overlaten. We kennen de aard van het beestje: niets herstelt zo snel op de vrije markt als oude, slechte gewoontes.

We moeten dus zelf als socialisten deze kans grijpen om waar we maar kunnen de strijd voor ons sociaal model verder te zetten en te versterken. We gaan dat samen moeten doen met andere sociaal-democratische partijen en met de nationale en internationale vakbeweging.

Ook in Europa moeten we ambitieuzer uit de hoek komen. We hebben twintig jaar lang kunnen weerstaan aan de liberale roep om gemeenschapsvoorzieningen te liberaliseren en sociale bescherming af te bouwen. Maar ‘erger voorkomen’ is voor socialisten natuurlijk niet genoeg. Het is tijd voor een offensievere Europese politiek. Meer is nodig, meer is ook mogelijk.

Europa vaardigt veel richtlijnen uit. Sommige zijn goed, andere zijn eerder futiel. Die energie zou beter en gerichter geïnvesteerd kunnen worden in sterke, sociale richtlijnen. Wat belet ons bijvoorbeeld om de maatregelen die we in eigen land nemen tegen energie-armoede te exporteren naar de andere Europese lidstaten? Een richtlijn voor de minimale gratis levering van elektriciteit of gas zou in heel Europa veel ellende kunnen verhelpen. Ingrid Lieten zet in dit Europese Jaar van de Armoedebestrijding hoog in op de strijd voor de automatische toekenning van sociale rechten, zoals het recht op wonen of betaalbare gezondheidszorg. Indien we dit model kunnen exporteren in de rest van Europa, hebben we een krachtige hefboom om iets te doen aan het stuitende cijfer van 80 miljoen burgers, 16% van de volledige Europese bevolking, die onder de armoedegrens leven. We moeten daar in de schoot van de PES verder voor ijveren.

Sociale richtlijnen zijn één zaak. Ze volstaan niet als ze niet gepaard gaan met een gecoördineerd economisch beleid. We hebben een sterk Europa nodig om te voorkomen dat in grote, economische dossiers het recht van de sterkste het haalt. We hebben een sterke Europese politiek nodig die erop toekijkt dat de consument niet de speelbal wordt van gigaspelers op de markt, denk aan Suez. Met de reconversie van de staalindustrie is het mee onder impuls van Karel Van Miert bewezen dat een gecoördineerde aanpak mogelijk is. In de auto-industrie hebben we die kans gemist, met de drama’s van Renault en nu ook Opel tot gevolg.

We moeten ook over de grenzen van Europa kijken.

De massale respons op de aardbeving in Haïti was hartverwarmend. Het toont dat de solidariteitsgedachte verre van dood is. Maar wat Haïti ons ook leert, is dat een ramp nooit alleen komt. In een land als Haïti lagen voor de aardbeving al cruciale pijlers van de staat in puin: gemeenschapsvoorzieningen, economie en infrastructuur. Dat drama was geen speling van de natuur, maar mensenwerk. Haïti gaat gebukt onder een loodzware schuldenlast en anders dan de internationale gemeenschap die de voorbije weken in de portemonnee tastte voor de slachtoffers van Haïti, toonde het Internationaal Monetair Fonds zich bepaald hardvochtig.

Structurele problemen vergen structurele hulp in Haïti en in Afrika en op andere plaatsen van de wereld. Meer dan 1 op 6 aardbewoners moet het bij het begin van deze eeuw met minder stellen dan de internationale armoedegrens (1 dollar of 0,80 eu per dag). Wereldwijd zijn 212 miljoen mensen werkloos, nog eens 633 miljoen werkenden zijn onderbetaald. Anderhalf miljard mensen werkt in de overlevingseconomie.

De Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) berekende twee jaar geleden al dat het perfect mogelijk is om met een minimumpakket aan sociale rechten –een basispensioen, een uitkering bij invaliditeit en een kinderbijslag- de ergste nood in de wereld te lenigen.

Vorig jaar heeft Dirk Van der Maelen het thema van sociale internationale normen en menswaardige arbeidsomstandigheden hoog op de agenda van de Kamercommissie Globalisering gezet. Eerder diende hij een wetsvoorstel in dat het mogelijk moet maken om Belgische bedrijven die zich in het buitenland schuldig maken aan kinderarbeid, in België te vervolgen. Dat wetsvoorstel wacht nog altijd op behandeling in de Kamer.

Meer is nodig, meer is ook mogelijk. We gaan daarom de druk ook opvoeren. Dirk zal in het federaal parlement een resolutie indienen waarin de regering wordt gevraagd om in het buitenland de pleitbezorger te worden van de IAO-norm. Aan de Vlaamse regering zullen we dezelfde vraag overmaken.

De crisis van de afgelopen jaren toont aan dat de tijd meer dan rijp is om de internationalistische gedachte van onze beweging nieuw leven in te blazen. Behalve in de PES, in het Europees parlement en op andere fora overweegt  sp.a om zijn internationale antennes aan te scherpen door een partij-afdeling op te richten in het buitenland, bestemd voor expats die onze en hun eigen sociale ambitie mee willen exporteren.

Ik hoop en ben vrij zeker dat Karel Van Miert dit idee zeer genegen zou zijn geweest. Onder Karel nam onze partij een hoge vlucht. We zijn het aan hem verplicht om ook hoog te mikken. Ik wil ten slotte Carla danken omdat ze deze avond mee mogelijk heeft gemaakt.