De Standaard,  donderdag 26 februari 2009
Dave Sinardet, is politicoloog aan de UA en gastprofessor aan de Facultés Universitaires Saint-Louis in Brussel.

Rudi Aernoudt (Arnoet voor de Franstaligen) had het kunnen weten. Pleiten tegen de uitbreiding van Brussel maakt je niet meteen in trek bij een partij die 25 jaar geleden werd opgericht als verzet tegen de taalwetten die Brussel tot zijn huidige grenzen beperken.

Niet dat het FDF (anders dan sommige Vlamingen) écht gelooft dat die uitbreiding er komt of daar aan de onderhandelingstafel écht een breekpunt van maakt. Brussel werd niet uitgebreid in het door FDF in 1977 mee goedgekeurde Egmontpact, noch in het door FDF in 2005 mee goedgekeurde bijna-akkoord van Verhofstadt II over de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde.


Maar voor de retoriek en de onderhandelingspositie moet de eenheid rond dit en andere communautaire standpunten in stand blijven. Zelfs de andere Franstalige partijen - Ecolo soms uitgezonderd - durven FDF-standpunten doorgaans niet openlijk af te vallen. Het Franstalige front, weet u wel. Maar verse MR-rekruut Arnoet deed dat dagelijks op radio en tv. Nadat hij zich beklaagd had over de almacht van de Brusselse gemeenten, een andere heilige koe van Olivier Maingain.

Een ander onderdeel van Aernoudts Brussel-verhaal dat het FDF niet zint, is zijn pleidooi om de rol van de Vlaamse en Franse gemeenschap in Brussel op termijn af te schaffen zodat Brussel een volwaardig gewest wordt, met bijvoorbeeld een eigen onderwijs- en cultuurbeleid. Voorstellen in die richting werden de voorbije jaren al vertolkt door een collectief van sociale bewegingen, wier ideeën nu ook vorm krijgen via een aparte politieke partij. Brusselse politici van Open VLD, SP.A en Groen! gaan daarin minder ver, maar bewandelen doorgaans ook een stuk mee die pro-Brusselse weg.

Het FDF echter helemaal niet. Dat kan verbazen, want leerden we op school niet dat de Belgische structuur van gewesten en gemeenschappen een historisch compromis was tussen de Walen en de Vlamingen: het Waalse verhaal van drie gewesten en het Vlaamse verhaal van twee gemeenschappen, dat in Brussel samenkwam in een complex en hybride geheel? Dat klopt ook wel en de hele reden waarom Brussel pas in 1988 - acht jaar na Vlaanderen en Wallonië - eigen gewestinstellingen krijgt is ook het gevolg van die tegenstelling. Het FDF was toen een vurige voorstander van een volwaardig derde gewest, onder de slogan 'Bruxellois, maître chez toi' (die hadden ze geleend van de broeders uit Québec: 'Québecois, maître chez toi'). En die lijkt verdacht veel op een huidige slagzin van Aernoudt: 'Laissons Bruxelles au Bruxellois'.

Het verschil ligt hem in de definitie van het begrip 'Bruxellois'. Voor Aernoudt en anderen is dat een Brusselaar, voor het FDF een francofoon.

Want de keuze voor een sterk Brussels gewest was vooral ingegeven door het angstbeeld van een vervlaamsing van Brussel, zoals dat onder meer tot uiting kwam in een scenario van gezamenlijk beheer van Brussel door Vlaanderen en Wallonië. Dat scenario wordt ook bepleit door de beruchte resoluties van het Vlaams parlement uit 1999, een document waar het FDF zo mogelijk nog meer naar verwijst dan de N-VA.

Allerlei sociaaldemografische processen maakten dat isgelijkteken tussen Bruxellois en francophone (nog) minder evident, maar het FDF wil het behouden en doet dat de voorbije jaren vooral via het benadrukken van het koppelteken tussen Wallonie en Bruxelles. Dat staat namelijk symbool voor de lotsgemeenschap tussen twee regio's verenigd door de Franse taal en cultuur.

Het FDF wil daarom het gemeenschapsdenrken in Brussel zo veel mogelijk behouden. Zelfs het toerisme moet gemeenschapsmaterie blijven, hoewel ondertussen voor iedereen duidelijk is, inclusief de voltallige Brusselse regering, dat het een aberratie is dat het Brussels gewest geen eigen toerismebeleid kan voeren.

Een recent congres van het FDF ging zelfs onder de banier 'Préparer l'Etat Wallonie-Bruxelles'. Om de noodzaak van die voorbereiding aan te tonen, werd uitvoerig verwezen naar de onmiskenbare tekenen van de Vlaamse staatswording.

Jawel, volk wordt staat. Daarmee was ook de vergelijking die Rudy Aernoudt na zijn uitstoting maakte tussen FDF en N-VA raker dan hij dacht. Hij verwees naar hoe beide partijen van communautaire polarisatie leven en ondanks een gering gewicht een buitensporige invloed uitoefenen op een grote partij. Maar de verwantschap is ook ideologisch. Maingain mag dan al heel eerlijk zijn als hij zijn geloof in mensenrechten bepleit, het FDF vertrekt de facto van het uitgangspunt dat de taal gans het volk is. En dat de eenheid van dat volk tot uiting moet komen in eigen instellingen, in dit geval die van de Franse Gemeenschap Wallonië-Brussel.

Verschil met N-VA is wel dat het FDF zichzelf nooit als nationalistisch zal bestempelen. Zeer integendeel zelfs, want de echte nationalisten zijn de Vlamingen en daar zetten ze zich als goede nationalisten tegen af.