De nieuwe regering heeft als ambitie om het overheidsbeslag te verminderen nadat 25 jaar socialisten in de regering zou het overheidsbeslag naar ongekende hoogten hebben geduwd. Dat laatste blijkt alvast kloppen, maar vooral door de tegenvallende economische groei. Laat dat een waarschuwing zijn: als de groei verder tegenvalt, dan is er meteen ook geen hoop dat het overheidsbeslag daalt in de volgende jaren.

 

It’s the economy, stupid. Lastenverlagingen om de overheidsontvangsten te verminderen, kunnen niet op tegen daling van de economische groei. We tonen aan dat de regeringen-Leterme en -Di Rupo minder belastingsregeringen dan wel lage-groei-regeringen waren.

Hieronder analyseren we de evolutie van de inkomsten en van het BBP, en dus van het resulterend overheidsbeslag. We definiëren overheidsbeslag als de totale ontvangsten van de overheid in verhouding tot de hele economie, met andere woorden: welk deel van het nationaal inkomen wordt jaarlijks aan de overheid overgemaakt via belastingen, sociale bijdragen, dividenden etc. Wiskundig is het overheidsbeslag dus een breuk met de ontvangsten in de teller en BBP in de noemer. Het uiteindelijke beslag wordt bepaald door de evolutie van beide.

1. Prognose voor de volgende regering: overheidsbeslag blijft waar het is
Om een voorspelling van het overheidsbeslag te kunnen maken, gaan we uit van de door de Europese Commissie voorspelde economische groei. Die ligt lager dan de voorspelling van het Planbureau die als basis diende voor de begroting. We hebben de vooruitzichten voor de volgende jaren op basis van het Planbureau verminderd met de aangekondigde lastenverlagingen op basis van de tabel-Jamar en verminderd met de minderontvangsten omwille van de lagere economische groei (met toepassing van een elasticiteit van 0,5) . We moeten besluiten dat de kans zeer klein is dat het overheidsbeslag duurzaam daalt. Allicht eindigt het overheidsbeslag onder Michel I precies waar het nu is, op een tophoogte van 51,5%.

We simuleren ook een hypothetisch scenario van een terugkeer naar een gezonde economische groei van 4% nominaal. Dan daalt het overheidsbeslag wel, naar 50% in 2018. Ter vergelijking: om een equivalent resultaat te bereiken via lastenverlaging is er 8 miljard nodig in 2018, niet evident wanneer ook de begroting onder druk staat door tegenvallende economische groei. 

2. De regeringen Leterme en Di Rupo waren minder belastingsregeringen dan wel-lage-groei-regeringen

Dus het overheidsbeslag zal allicht niet of nauwelijks dalen. Maar hoe is ze geraakt waar ze nu is, aan een bijna historische 51,5%?
We nemen 1995 als vertrekpunt omdat we vanaf dan volledige gegevens hebben van het INR. In 1995 was het overheidsbeslag 47,5%, in 2013 51,5%. Het overheidsbeslag is dus effectief gestegen met 4 procentpunt.
Er zijn drie periodes te onderscheiden, alle drie met socialisten in de regering (tussen 2007 en 2010 met PS maar zonder sp.a):
- de periode Dehaene tot en met 1998
- de paarse periode 1999-2007
- de (post-)crisis jaren 2008-2013
De ontvangsten piekten in de periode Dehaene in 1998 net onder de 50%, maar daalden de tien paarse jaren er op terug naar het niveau van 1995. Sinds 1997 steeg het overheidsbeslag met 3,9%. De periodes van stijgend overheidsbeslag vallen grotendeels samen met periodes van sanering, dus beleid om het overheidstekort terug te dringen.
 

 
 

In de voorbije jaren zijn vooral de inkomsten uit vermogen hersteld die waren weggevallen in de crisisjaren. De inkomsten uit arbeid zijn in de periode 2010-2012 hoog gebleven door de 3 overschrijdingen van de spilindex, oa ten gevolge van hoge energieprijzen. Maar het is vooral de tegenvallende economische groei die gezorgd heeft voor een stijgend overheidsbeslag. Wanneer de trend van 1995-2008 zich had voortgezet, dus ‘zonder crisis’, zouden belastingsmaatregelen (zoals hogere roerende voorheffing, hogere belasting op bedrijfswagens, etc...) niet geleid hebben tot een hoger overheidsbeslag, maar in tegendeel tot een lager.

 

 
 

De jaarlijkse groei was in de jaren 2012 en 2013 historisch laag en bestond quasi enkel uit inflatie. We gingen voor de post-crisis jaren 2009-2013 na hoe het overheidsbeslag zou zijn geëvolueerd indien de groei dezelfde was geweest als in de periode 1995-2007, dus ‘zonder crisis’ maar wel met de post-crisis maatregelen, zoals de verhoging van de roerende voorheffing, de beperking van de notionele interestaftrek, het nieuw regime op bedrijfswagens en het sluiten van achterpoortjes. We delen dus de vastgestelde ontvangsten door het BBP ‘alsof de financiële crisis zich niet had voorgedaan’. In zo’n scenario zonder crisis zou het overheidsbeslag zijn gedaald, niet gestegen. Tot 46,9%, een niveau die sinds het begin van de regeringen Dehaene niet meer werd gehaald.

Dus de stijging van het overheidsbeslag is vooral het gevolg van de daling van de groei. Concreet: de economische groei sinds 2008 ligt 11% onder de trendgroei. Dus onze welvaart ligt 40miljard lager dan had kunnen zijn, terwijl de ontvangsten ‘slechts’ 32miljard hoger liggen. Of nog: bij een hogere groei, zoals in de periode 1995-2007, zouden die begrotingsmaatregelen niet nodig geweest zijn en zou men integendeel de belastingen kunnen verlaagd hebben en toch hetzelfde ontvangstenniveau bereikt hebben.

3. De groei van de ontvangsten komt vooral uit vermogen en niet-fiscale ontvangsten.

Wanneer we kijken naar de samenstelling van de evolutie van het overheidsbeslag, cumulatief sinds 1995, dan zien we dat, met uitzondering van 2013, het aandeel van de belastingen op arbeid steeds lager lag dan in 1995. De opbrengsten uit de lasten op arbeid zijn het minst gestegen, weliswaar van een hoog niveau, en de opbrengsten uit de lasten uit vermogen1 het sterkst.

 
 

Alles boven 0 toont een hogere bijdrage aan het overheidsbeslag dan in 1995, alles daaronder een lagere bijdrage.

 

Wanneer we opnieuw naar de drie periodes kijken, dan stellen was vast dat zowel in de periode Dehaene als tijdens de paarse periode de stijging van de ontvangsten uit vermogen het grootst was (in de eerste periode eerder door maatregen en in de tweede vooral door groei). De post-crisis jaren vallen uiteen in twee periodes: de crisis zelf van 2009 en de hersteljaren van 2010 en 2011 (regeringen Leterme-Van Rompuy) waarin de inkomsten uit vermogen historisch zeer beperkt waren en anderzijds de nulgroei-jaren 2012 en 2013 (regering Di Rupo I) waarin weer werd aangeknoopt met groei van de ontvangsten uit vermogen die vergelijkbaar is met de periode Dehaene.

 
 

Opvallend is ook dat in de post-crisisjaren de groei van de ontvangsten uit arbeid op peil blijft. Dat kan enerzijds verklaard worden door de drie overschrijdingen van de spilindex door de hoge energieprijzen in de periode 2010-2012, versterkte door de ingebouwde progressiviteit van de personenbelasting, en anderzijds door de maatregelen op vlak van bedrijfswagens, het stoppen van enkele aftrekken en de verhoging van het voordeel in natura van de huur van het eigen huis. Bovendien worden subsidies die de arbeidskost verlagen als een uitgave gecatalogeerd en niet als een minderinkomst. De werkelijke lasten op arbeid liggen dus lager. 

Conclusie: het overheidsbeslag zal allicht niet dalen onder deze regering voor dezelfde reden als dat het is gestegen onder de vorige: tegenvallende economische groei. Lastenverlagingen kunnen niet realiseren wat een terugkeer naar een gezonde economische groei wel kan.